42) Sūrat Ash-Shūrá

Printed format

42) سُورَة الشُّورَى

Ĥā-Mīm [42.1] Haa Miem. حَا-مِيم
`Sq [42.2] Ain Sien Qaaf. عسق
Kadhālika Yūĥī 'Ilayka Wa 'Ilá Al-Ladhīna Min Qablika Allāhu Al-`Azīzu Al-Ĥakīmu [42.3] Zo heeft Allah, de Machtige, de Wijze aan u en aan degenen die vََr u waren, geopenbaard. كَذَلِكَ يُوحِي إِلَيْكَ وَإِلَى الَّذِينَ مِنْ قَبْلِكَ اللَّهُ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ
Lahu Mā Fī As-Samāwāti Wa Mā Fī Al-'Arđi Wa Huwa Al-`Alīyu Al-`Ažīmu [42.4] Aan Hem behoort hetgeen in de hemelen en op aarde is en Hij is de Hoogste, de Grootste. لَه ُُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الأَرْضِ وَهُوَ الْعَلِيُّ الْعَظِيمُ
Takādu As-Samāwātu Yatafaţţarna Min Fawqihinna Wa Al-Malā'ikatu Yusabbiĥūna Biĥamdi Rabbihim Wa Yastaghfirūna Liman Al-'Arđi 'Alā 'Inna Allāha Huwa Al-Ghafūru Ar-Raĥīmu [42.5] Het is nabij dat de hemelen zullen worden uiteengescheurd boven hen, maar de engelen verheerlijken hun Heer met de lof die Hem toekomt en vragen vergiffenis voor hen die op aarde zijn. Ziet toe! Allah is de Vergevensgezinde, de Genadevolle. تَكَادُ السَّمَاوَاتُ يَتَفَطَّرْنَ مِنْ فَوْقِهِنَّ وَالْمَلاَئِكَةُ يُسَبِّحُونَ بِحَمْدِ رَبِّهِمْ وَيَسْتَغْفِرُونَ لِمَنْ فِي الأَرْضِ أَلاَ إِنَّ اللَّهَ هُوَ الْغَفُورُ الرَّحِيمُ
Wa Al-Ladhīna Attakhadhū Min Dūnihi 'Awliyā'a Allāhu Ĥafīžun `Alayhim Wa Mā 'Anta `Alayhim Biwakīlin [42.6] En degenen, die naast Hem beschermers tot zich nemen, over hen waakt Allah: maar gij (profeet) zijt geen voogd over hen. وَالَّذِينَ اتَّخَذُوا مِنْ دُونِهِ~ِ أَولِيَاءَ اللَّهُ حَفِيظٌ عَلَيْهِمْ وَمَا أَنْتَ عَلَيْهِمْ بِوَكِيل ٍ
Wa Kadhalika 'Awĥaynā 'Ilayka Qur'ānāan `Arabīyāan Litundhira 'Umma Al-Qurá Wa Man Ĥawlahā Wa Tundhira Yawma Al-Jam`i Lā Rayba Fīhi Farīqun Al-Jannati Wa Farīqun As-Sa`īri [42.7] Zo hebben Wij u de Koran in het Arabisch geopenbaard, opdat gij de Moeder der steden (Makka) en al het omringende moogt waarschuwen; dus waarschuwt (hen) voor de Dag der Verzameling waaromtrent geen twijfel is. Een deel zal in het paradijs zijn, en een ander deel in het laaiend Vuur. وَكَذَلِكَ أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ قُرْآناً عَرَبِيّا ً لِتُنْذِرَ أُمَّ الْقُرَى وَمَنْ حَوْلَهَا وَتُنْذِرَ يَوْمَ الْجَمْعِ لاَ رَيْبَ فِيه ِِ فَرِيق ٌ فِي الْجَنَّةِ وَفَرِيق ٌ فِي السَّعِيرِ
Wa Law Shā'a Allāhu Laja`alahum 'Ummatan Wāĥidatan Wa Lakin Yudkhilu Man Yashā'u Fī Raĥmatihi Wa Až-Žālimūna Mā Lahum Min Wa Līyin Wa Lā Naşīrin [42.8] Indien Allah wilde kon Hij hen tot een enkel volk hebben gemaakt, maar Hij laat in Zijn barmhartigheid toe wie Hij wil. Doch de onrechtvaardigen zullen geen beschermer of helper hebben. وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَجَعَلَهُمْ أُمَّة ً وَاحِدَة ً وَلَكِنْ يُدْخِلُ مَنْ يَشَاءُ فِي رَحْمَتِه ِِ وَالظَّالِمُونَ مَا لَهُمْ مِنْ وَلِيّ ٍ وَلاَ نَصِير ٍ
'Am Attakhadhū Min Dūnihi 'Awliyā'a Fa-Allāhu Huwa Al-Walīyu Wa Huwa Yuĥyī Al-Mawtá Wa Huwa `Alá Kulli Shay'in Qadīrun [42.9] Hebben zij naast Hem besehermers tot zich genomen terwijl Allah de Besehermer is? Hij maakt de doden levend en heeft macht over alle dingen, أَمْ اتَّخَذُوا مِنْ دُونِهِ~ِ أَوْلِيَاءَ فَاللَّهُ هُوَ الْوَلِيُّ وَهُوَ يُحْيِي المَوْتَى وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ قَدِير ٌ
Wa Mā Akhtalaftum Fīhi Min Shay'in Faĥukmuhu 'Ilá Allāhi Dhalikumu Allāhu Rabbī `Alayhi Tawakkaltu Wa 'Ilayhi 'Unību [42.10] En waarover gij ook moogt verschillen, de beslissing ervan rust bij Allah. Zeg: "Zo is Allah, mijn Heer. In Hem stel ik mijn vertrouwen, en tot Hem wend ik mij." وَمَا اخْتَلَفْتُمْ فِيه ِِ مِنْ شَيْء ٍ فَحُكْمُهُ~ُ إِلَى اللَّهِ ذَلِكُمُ اللَّهُ رَبِّي عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَإِلَيْهِ أُنِيبُ
Fāţiru As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Ja`ala Lakum Min 'Anfusikum 'Azwājāan Wa Mina Al-'An`ām 'Azwājāan Yadhra'uukum Fīhi Laysa Kamithlihi Shay'un Wa Huwa As-Samī`u Al-Başīru [42.11] Hij is de Schepper der hemelen en der aarde. Hij heeft u tot paren gemaakt, evenals het vee, te uwen behoeve. Daardoor vermenigvuldigt Hij u. Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende. فَاطِرُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ جَعَلَ لَكُمْ مِنْ أَنْفُسِكُمْ أَزْوَاجا ً وَمِنَ الأَنعَام أَزْوَاجا ً يَذْرَؤُكُمْ فِيه ِِ لَيْسَ كَمِثْلِه ِِ شَيْء ٌ وَهُوَ السَّمِيعُ البَصِيرُ
Lahu Maqālīdu As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Yabsuţu Ar-Rizqa Liman Yashā'u Wa Yaqdiru 'Innahu Bikulli Shay'in `Alīmun [42.12] Aan Hem behoren de schatten van de hemelen en de aarde. Hij vergroot en bekrimpt de voorziening voor wie Hij wil. Hij heeft voorzeker kennis van alle dingen. لَه ُُ مَقَالِيدُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَنْ يَشَاءُ وَيَقْدِرُ إِنَّه ُُ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيم ٌ
Shara`a Lakum Mina Ad-Dīni Mā Waşşá Bihi Nūĥāan Wa Al-Ladhī 'Awĥaynā 'Ilayka Wa Mā Waşşaynā Bihi 'Ibrāhīma Wa Mūsá Wa `Īsá 'An 'Aqīmū Ad-Dīna Wa Lā Tatafarraqū Fīhi Kabura `Alá Al-Mushrikīna Mā Tad`ūhum 'Ilayhi Allāhu Yajtabī 'Ilayhi Man Yashā'u Wa Yahdī 'Ilayhi Man Yunību [42.13] Hij schreef u dezelfde godsdienst voor, die Hij aan Noach oplegden en die Wij bovendien aan u openbaren en die Wij Abraham, Mozes en Jezus oplegden: "Bevestigt deze godsdienst en weest er niet in verdeeld." Voor de afgodendienarenis dat moeilijk waartoe gij hen roept. Allah kiest voor Zich wie Hij wil en leidt hem die zich (in berouw) tot Hem wendt. شَرَعَ لَكُمْ مِنَ الدِّينِ مَا وَصَّى بِه ِِ نُوحا ً وَالَّذِي أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ وَمَا وَصَّيْنَا بِهِ~ِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى وَعِيسَى أَنْ أَقِيمُوا الدِّينَ وَلاَ تَتَفَرَّقُوا فِيه ِِ كَبُرَ عَلَى الْمُشْرِكِينَ مَا تَدْعُوهُمْ إِلَيْهِ اللَّهُ يَجْتَبِي إِلَيْهِ مَنْ يَشَاءُ وَيَهْدِي إِلَيْهِ مَنْ يُنِيبُ
Wa Mā Tafarraqū 'Illā Min Ba`di Mā Jā'ahumu Al-`Ilmu Baghyāan Baynahum Wa Lawlā Kalimatun Sabaqat Min Rabbika 'Ilá 'Ajalin Musammáan Laquđiya Baynahum Wa 'Inna Al-Ladhīna 'Ūrithū Al-Kitāba Min Ba`dihim Lafī Shakkin Minhu Murībin [42.14] En zij waren slechts verdeeld, nadat de kennis tot hen was gekomen, door zelfzuchtige afgunst onder elkander. En ware het niet dat een Woord reeds van uw Heer was uitgegaan voor een vastgestelde tijd, dan zou de zaak voorzeker tussen hen geoordeeld zijn. En waarlijk, zij die het Boek erfden, na hen, zijn er in een verontrustende twijfel over. وَمَا تَفَرَّقُوا إِلاَّ مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَهُمُ الْعِلْمُ بَغْيا ً بَيْنَهُمْ وَلَوْلاَ كَلِمَة ٌ سَبَقَتْ مِنْ رَبِّكَ إِلَى أَجَل ٍ مُسَمّى ً لَقُضِيَ بَيْنَهُمْ وَإِنَّ الَّذِينَ أُورِثُوا الْكِتَابَ مِنْ بَعْدِهِمْ لَفِي شَكّ ٍ مِنْهُ مُرِيب ٍ
Falidhalika Fād`u Wa Astaqim Kamā 'Umirta Wa Lā Tattabi` 'Ahwā'ahum Wa Qul 'Āmantu Bimā 'Anzala Allāhu Min Kitābin Wa 'Umirtu Li'`dila Baynakumu Allāhu Rabbunā Wa Rabbukum Lanā 'A`mālunā Wa Lakum 'A`mālukum Lā Ĥujjata Baynanā Wa Baynakumu Allāhu Yajma`u Baynanā Wa 'Ilayhi Al-Maşīru [42.15] Nodig hen daarom hiertoe uit. En wees standvastig zoals u is geboden en volg hun slechte begeerten niet, maar zeg: "Ik geloof in elk Boek dat Allah heeft neder gezonden en het is mij geboden rechtvaardig tegenover u te handelen. Allah is onze Heer en uw Heer. Aan ons onze werken en aan u uw werken. Laat er geen twist tussen u en ons bestaan. Allah zal ons tezamen brengen en tot Hem is de terugkeer. فَلِذَلِكَ فَادْعُ وَاسْتَقِمْ كَمَا أُمِرْتَ وَلاَ تَتَّبِعْ أَهْوَاءَهُمْ وَقُلْ آمَنْتُ بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ مِنْ كِتَاب ٍ وَأُمِرْتُ لِأعْدِلَ بَيْنَكُمُ اللَّهُ رَبُّنَا وَرَبُّكُمْ لَنَا أَعْمَالُنَا وَلَكُمْ أَعْمَالُكُمْ لاَ حُجَّةَ بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمُ اللَّهُ يَجْمَعُ بَيْنَنَا وَإِلَيْهِ الْمَصِيرُ
Wa Al-Ladhīna Yuĥājjūna Fī Allāhi Min Ba`di Mā Astujība Lahu Ĥujjatuhum Dāĥiđatun `Inda Rabbihim Wa `Alayhim Ghađabun Wa Lahum `Adhābun Shadīdun [42.16] En zij die over Allah twisten nadat zij Hem aanvaard hebben, hun twist is waardeloos in de ogen van hun Heer; er is toorn over hen en er zal een strenge straf voor hen zijn. وَالَّذِينَ يُحَاجُّونَ فِي اللَّهِ مِنْ بَعْدِ مَا اسْتُجِيبَ لَه ُُ حُجَّتُهُمْ دَاحِضَةٌ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَعَلَيْهِمْ غَضَب ٌ وَلَهُمْ عَذَاب ٌ شَدِيد ٌ
Allāhu Al-Ladhī 'Anzala Al-Kitāba Bil-Ĥaqqi Wa Al-Mīzāna Wa Mā Yudrīka La`alla As-Sā`ata Qarībun [42.17] Allah is het Die dit Boek (de Koran) met de Weegschaal in waarheid heeft nedergezonden. Wat weet gij waarschijnlijk is het Uur nabij. اللَّهُ الَّذِي أَنْزَلَ الْكِتَابَ بِالْحَقِّ وَالْمِيزَانَ وَمَا يُدْرِيكَ لَعَلَّ السَّاعَةَ قَرِيب ٌ
Yasta`jilu Bihā Al-Ladhīna Lā Yu'uminūna Bihā Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Mushfiqūna Minhā Wa Ya`lamūna 'Annahā Al-Ĥaqqu 'Alā 'Inna Al-Ladhīna Yumārūna Fī As-Sā`ati Lafī Đalālin Ba`īdin [42.18] De ongelovigen vragen het te verhaasten maar de gelovigen vrezen er voor en weten dat het de Waarheid is. Ziet toe! Zij die over het Uur redetwisten zijn ver afgedwaald. يَسْتَعْجِلُ بِهَا الَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ بِهَا وَالَّذِينَ آمَنُوا مُشْفِقُونَ مِنْهَا وَيَعْلَمُونَ أَنَّهَا الْحَقُّ أَلاَ إِنَّ الَّذِينَ يُمَارُونَ فِي السَّاعَةِ لَفِي ضَلاَل ٍ بَعِيد ٍ
Allāhu Laţīfun Bi`ibādihi Yarzuqu Man Yashā'u Wa Huwa Al-Qawīyu Al-`Azīzu [42.19] Allah is Zorgzaam tegenover Zijn dienaren. Hij zorgt voor wie Hij wil. Hij is de Sterke, de Machtige. اللَّهُ لَطِيف ٌ بِعِبَادِه ِِ يَرْزُقُ مَنْ يَشَاءُ وَهُوَ الْقَوِيُّ العَزِيزُ
Man Kāna Yurīdu Ĥartha Al-'Ākhirati Nazid Lahu Fī Ĥarthihi Wa Man Kāna Yurīdu Ĥartha Ad-Dunyā Nu'utihi Minhā Wa Mā Lahu Fī Al-'Ākhirati Min Naşībin [42.20] Wie de oogst van het Hiernamaals wenst, diens oogst doen Wij toenemen, doch wie naar de oogst der wereld verlangt ook hem geven Wij daarvan, maar hij zal in het Hiernamaals geen deel hebben. مَنْ كَانَ يُرِيدُ حَرْثَ الآخِرَةِ نَزِدْ لَه ُُ فِي حَرْثِه ِِ وَمَنْ كَانَ يُرِيدُ حَرْثَ الدُّنْيَا نُؤتِه ِِ مِنْهَا وَمَا لَه ُُ فِي الآخِرَةِ مِنْ نَصِيب ٍ
'Am Lahum Shurakā'u Shara`ū Lahum Mina Ad-Dīni Mā Lam Ya'dhan Bihi Allāhu Wa Lawlā Kalimatu Al-Faşli Laquđiya Baynahum Wa 'Inna Až-Žālimīna Lahum `Adhābun 'Alīmun [42.21] Hebben zij (afgodendienaren) dan medegoden, die hun een godsdienst hebben voorgeschreven welke Allah verboden heeft? Ware Ons gebod voor het laatste gericht niet uitgevaardigd,dan zou de zaak onder hen geoordeeld zijn geweest. Want de onrechtvaardigen zullen zeker een pijnlijke straf ontvangen. أَمْ لَهُمْ شُرَكَاءُ شَرَعُوا لَهُمْ مِنَ الدِّينِ مَا لَمْ يَأْذَنْ بِهِ اللَّهُ وَلَوْلاَ كَلِمَةُ الْفَصْلِ لَقُضِيَ بَيْنَهُمْ وَإِنَّ الظَّالِمِينَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيم ٌ
Tará Až-Žālimīna Mushfiqīna Mimmā Kasabū Wa Huwa Wāqi`un Bihim Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Fī Rawđāti Al-Jannāti Lahum Mā Yashā'ūna `Inda Rabbihim Dhālika Huwa Al-Fađlu Al-Kabīru [42.22] Gij zult de onrechtvaardigen in vrees zien voor hetgeen zij hebben verdiend op de Dag des Oordeels en het zal hen zeker treffen. Maar degenen, die geloven en goede werken doen, zullen in de tuinen van het paradijs zijn. Zij zullen bij hun Heer alles vinden wat zij wensen. Dat is de grote genade. تَرَى الظَّالِمِينَ مُشْفِقِينَ مِمَّا كَسَبُوا وَهُوَ وَاقِع ٌ بِهِمْ وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ فِي رَوْضَاتِ الْجَنَّاتِ لَهُمْ مَا يَشَاءُونَ عِنْدَ رَبِّهِمْ ذَلِكَ هُوَ الْفَضْلُ الكَبِيرُ
Dhālika Al-Ladhī Yubashshiru Allāhu `Ibādahu Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Qul Lā 'As'alukum `Alayhi 'Ajrāan 'Illā Al-Mawaddata Fī Al-Qurbá Wa Man Yaqtarif Ĥasanatan Nazid Lahu Fīhā Ĥusnāan 'Inna Allāha Ghafūrun Shakūrun [42.23] Dit is het waarvan Allah aan Zijn dienaren die geloven en goede werken doen, de blijde tijdingen geeft. Zeg: "Ik vraag u geen loon voor (mijn prediking), behalve liefde van verwanten." En hij die het goede verricht zullen Wij in goedheid doen toenemen. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Waarderend. ذَلِكَ الَّذِي يُبَشِّرُ اللَّهُ عِبَادَهُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ قُلْ لاَ أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ أَجْرا ً إِلاَّ الْمَوَدَّةَ فِي الْقُرْبَى وَمَنْ يَقْتَرِفْ حَسَنَة ً نَزِدْ لَه ُُ فِيهَا حُسْنا ً إِنَّ اللَّهَ غَفُور ٌ شَكُور ٌ
'Am Yaqūlūna Aftará `Alá Allāhi Kadhibāan Fa'in Yasha'i Allāhu Yakhtim `Alá Qalbika Wa Yamĥu Allāhu Al-Bāţila Wa Yuĥiqqu Al-Ĥaqqa Bikalimātihi 'Innahu `Alīmun Bidhāti Aş-Şudūri [42.24] Zeggen zij: "Hij heeft een leugen over Allah verzonnen?" Als Allah het wilde kon Hij uw hart verzegelen. Maar Allah zal de leugen uitvagen en de Waarheid door Zijn woord bevestigen. Voorzeker, Hij weet wat in de harten is. أَمْ يَقُولُونَ افْتَرَى عَلَى اللَّهِ كَذِبا ً فَإِنْ يَشَأِ اللَّهُ يَخْتِمْ عَلَى قَلْبِكَ وَيَمْحُ اللَّهُ الْبَاطِلَ وَيُحِقُّ الْحَقَّ بِكَلِمَاتِهِ~ِ إِنَّه ُُ عَلِيم ٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ
Wa Huwa Al-Ladhī Yaqbalu At-Tawbat `An `Ibādihi Wa Ya`fū `Ani As-Sayyi'āti Wa Ya`lamu Mā Taf`alūna [42.25] Hij Die berouw aanvaardt van Zijn dienaren en (hun) zonden vergeeft. Hij weet wat gij doet. وَهُوَ الَّذِي يَقْبَلُ التَّوبَة عَنْ عِبَادِه ِِ وَيَعْفُو عَنِ السَّيِّئَاتِ وَيَعْلَمُ مَا تَفْعَلُونَ
Wa Yastajību Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Wa Yazīduhum Min Fađlihi Wa Al-Kāfirūna Lahum `Adhābun Shadīdun [42.26] En Hij verhoort de gelovigen die goede werken doen en geeft nog meer uit Zijn overvloed maar de ongelovigen zullen een strenge straf ontvangen. وَيَسْتَجِيبُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَيَزِيدُهُمْ مِنْ فَضْلِه ِِ وَالْكَافِرُونَ لَهُمْ عَذَاب ٌ شَدِيد ٌ
Wa Law Basaţa Allāhu Ar-Rizqa Li`ibādihi Labaghaw Fī Al-'Arđi Wa Lakin Yunazzilu Biqadarin Mā Yashā'u 'Innahu Bi`ibādihi Khabīrun Başīrun [42.27] Indien Allah de voorziening voor Zijn dienaren zou hebben vergroot, zouden zij op aarde verderf hebben veroorzaakt: Hij zendt echter met mate neder zoals Hij dat wil. Hij kent en ziet Zijn dienaren inderdaad goed. وَلَوْ بَسَطَ اللَّهُ الرِّزْقَ لِعِبَادِه ِِ لَبَغَوْا فِي الأَرْضِ وَلَكِنْ يُنَزِّلُ بِقَدَر ٍ مَا يَشَاءُ إِنَّه ُُ بِعِبَادِه ِِ خَبِير ٌ بَصِير ٌ
Wa Huwa Al-Ladhī Yunazzilu Al-Ghaytha Min Ba`di Mā Qanaţū Wa Yanshuru Raĥmatahu Wa Huwa Al-Walīyu Al-Ĥamīdu [42.28] Hij is het, Die regen nederzendt en Zijn barmhartigheid uitspreidt nadat men daaraan gewanhoopt heeft. Hij is de Beschermer, de Geprezene. وَهُوَ الَّذِي يُنَزِّلُ الْغَيْثَ مِنْ بَعْدِ مَا قَنَطُوا وَيَنشُرُ رَحْمَتَه ُُ وَهُوَ الْوَلِيُّ الْحَمِيدُ
Wa Min 'Āyātihi Khalqu As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Mā Baththa Fīhimā Min Dābbatin Wa Huwa `Alá Jam`ihim 'Idhā Yashā'u Qadīrun [42.29] En onder Zijn tekenen is de Schepping der hemelen en der aarde, en der levende wezens die Hij daarin heeft verspreid. En Hij heeft macht hen te verzamelen wanneer Hij wil. وَمِنْ آيَاتِه ِِ خَلْقُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَا بَثَّ فِيهِمَا مِنْ دَابَّة ٍ وَهُوَ عَلَى جَمْعِهِمْ إِذَا يَشَاءُ قَدِير ٌ
Wa Mā 'Aşābakum Min Muşībatin Fabimā Kasabat 'Aydīkum Wa Ya`fū `An Kathīrin [42.30] Welke ramp u ook overkomt, het is door hetgeen uw handen hebben gewrocht. Doch Hij vergeeft vele dingen. وَمَا أَصَابَكُمْ مِنْ مُصِيبَة ٍ فَبِمَا كَسَبَتْ أَيْدِيكُمْ وَيَعْفُو عَنْ كَثِير ٍ
Wa Mā 'Antum Bimu`jizīna Fī Al-'Arđi Wa Mā Lakum Min Dūni Allāhi Min Wa Līyin Wa Lā Naşīrin [42.31] En gij kunt op aarde niet ontkomen noch hebt gij een enkele vriend of helper buiten Allah. وَمَا أَنْتُمْ بِمُعْجِزِينَ فِي الأَرْضِ وَمَا لَكُمْ مِنْ دُونِ اللَّهِ مِنْ وَلِيّ ٍ وَلاَ نَصِير ٍ
Wa Min 'Āyātihi Al-Jawāri Fī Al-Baĥri Kāl'a`lāmi [42.32] En onder Zijn tekenen zijn de schepen als bergen op zee. وَمِنْ آيَاتِهِ الْجَوَارِ فِي الْبَحْرِ كَالأَعْلاَمِ
'In Yasha' Yuskini Ar-Rīĥa Fayažlalna Rawākida `Alá Žahrihi 'Inna Fī Dhālika La'āyātin Likulli Şabbārin Shakūrin [42.33] Als Hij wil kan Hij de wind stillen zodat zij bewegingloos staan op de oppervlakte daarvan! Daarin zijn voorzeker tekenen voor elke geduldige, dankbare (mens). إِنْ يَشَأْ يُسْكِنِ الرِّيحَ فَيَظْلَلْنَ رَوَاكِدَ عَلَى ظَهْرِهِ~ِ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَات ٍ لِكُلِّ صَبَّار ٍ شَكُور ٍ
'Aw Yūbiqhunna Bimā Kasabū Wa Ya`fu `An Kathīrin [42.34] Of Hij kan ze vernietigen: wegens hetgeen zij (de mensen) verdienen - maar Hij vergeeft veel. - أَوْ يُوبِقْهُنَّ بِمَا كَسَبُوا وَيَعْفُ عَنْ كَثِير ٍ
Wa Ya`lama Al-Ladhīna Yujādilūna Fī 'Āyātinā Mā Lahum Min Maĥīşin [42.35] Opdat zij die over de tekenen van Allah redetwisten, mogen inzien dat zij geen toevlucht hebben. وَيَعْلَمَ الَّذِينَ يُجَادِلُونَ فِي آيَاتِنَا مَا لَهُمْ مِنْ مَحِيص ٍ
Famā 'Ūtītum Min Shay'in Famatā`u Al-Ĥayāati Ad-Dunyā Wa Mā `Inda Allāhi Khayrun Wa 'Abqá Lilladhīna 'Āmanū Wa `Alá Rabbihim Yatawakkalūna [42.36] Wat u is gegeven is slechts een voorziening voor dit leven, en hetgeen bij Allah is, is beter en van langere duur voor de gelovigen die in hun Heer vertrouwen stellen. فَمَا أُوتِيتُمْ مِنْ شَيْء ٍ فَمَتَاعُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَمَا عِنْدَ اللَّهِ خَيْر ٌ وَأَبْقَى لِلَّذِينَ آمَنُوا وَعَلَى رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَ
Wa Al-Ladhīna Yajtanibūna Kabā'ira Al-'Ithmi Wa Al-Fawāĥisha Wa 'Idhā Mā Ghađibū Hum Yaghfirūna [42.37] Voor degenen die de zwaarste zonden en gruweldaden vermijden en die wanneer zij vertoornd zijn, vergeven; وَالَّذِينَ يَجْتَنِبُونَ كَبَائِرَ الإِثْمِ وَالْفَوَاحِشَ وَإِذَا مَا غَضِبُوا هُمْ يَغْفِرُونَ
Wa Al-Ladhīna Astajābū Lirabbihim Wa 'Aqāmū Aş-Şalāata Wa 'Amruhum Shūrá Baynahum Wa Mimmā Razaqnāhum Yunfiqūna [42.38] En voor degenen die naar hun Heer luisteren en hun gebeden houden en wier manier van handelen een zaak van wederzijds overleg is en voor degenen die geven van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien; وَالَّذِينَ اسْتَجَابُوا لِرَبِّهِمْ وَأَقَامُوا الصَّلاَةَ وَأَمْرُهُمْ شُورَى بَيْنَهُمْ وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنْفِقُونَ
Wa Al-Ladhīna 'Idhā 'Aşābahumu Al-Baghyu Hum Yantaşirūna [42.39] En voor degenen die, als een aanval hen treft, zich verdedigen. وَالَّذِينَ إِذَا أَصَابَهُمُ الْبَغْيُ هُمْ يَنْتَصِرُونَ
Wa Jazā'u Sayyi'atin Sayyi'atun Mithluhā Faman `Afā Wa 'Aşlaĥa Fa'ajruhu `Alá Allāhi 'Innahu Lā Yuĥibbu Až-Žālimīna [42.40] Doch de vergelding van het kwade is het daaraan gelijke; maar wie vergeeft en verbetering voor ogen houdt, zijn loon rust bij Allah. Voorzeker, Hij houdt niet van de onrechtvaardigen. وَجَزَاءُ سَيِّئَة ٍ سَيِّئَة ٌ مِثْلُهَا فَمَنْ عَفَا وَأَصْلَحَ فَأَجْرُه ُُ عَلَى اللَّهِ إِنَّهُ لاَ يُحِبُّ الظَّالِمِينَ
Wa Lamani Antaşara Ba`da Žulmihi Fa'ūlā'ika Mā `Alayhim Min Sabīlin [42.41] Maar er is geen verwijt tegen hen die zich verdedigen nadat hun onrecht is aangedaan. وَلَمَنِ انتَصَرَ بَعْدَ ظُلْمِه ِِ فَأُوْلَائِكَ مَا عَلَيْهِمْ مِنْ سَبِيل ٍ
'Innamā As-Sabīlu `Alá Al-Ladhīna Yažlimūna An-Nāsa Wa Yabghūna Fī Al-'Arđi Bighayri Al-Ĥaqqi 'Ūlā'ika Lahum `Adhābun 'Alīmun [42.42] Het verwijt is slechts tegen hen, die de mensen onrecht aandoen en ten onrechte in het land opstand veroorzaken. Dezen zullen een pijnlijke straf ontvangen. إِنَّمَا السَّبِيلُ عَلَى الَّذِينَ يَظْلِمُونَ النَّاسَ وَيَبْغُونَ فِي الأَرْضِ بِغَيْرِ الْحَقِّ أُوْلَائِكَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيم ٌ
Wa Laman Şabara Wa Ghafara 'Inna Dhālika Lamin `Azmi Al-'Umūri [42.43] En hij die geduldig is en vergeeft, - dat is voorzeker een (teken) van een sterk karakter. وَلَمَنْ صَبَرَ وَغَفَرَ إِنَّ ذَلِكَ لَمِنْ عَزْمِ الأُمُورِ
Wa Man Yuđlili Allāhu Famā Lahu Min Wa Līyin Min Ba`dihi Wa Tará Až-Žālimīna Lammā Ra'aw Al-`Adhāba Yaqūlūna Hal 'Ilá Maraddin Min Sabīlin [42.44] Hij die Allah laat dwalen, zal buiten Hem geen beschermer hebben. En gij zult de onrechtvaardigen zien die, wanneer zij de straf zullen aanschouwen, zeggen: "Is er geen weg tot terugkeer?" وَمَنْ يُضْلِلِ اللَّهُ فَمَا لَه ُُ مِنْ وَلِيّ ٍ مِنْ بَعْدِه ِِ وَتَرَى الظَّالِمِينَ لَمَّا رَأَوْا الْعَذَابَ يَقُولُونَ هَلْ إِلَى مَرَدّ ٍ مِنْ سَبِيل ٍ
Wa Tarāhum Yu`rađūna `Alayhā Khāshi`īna Mina Adh-Dhulli Yanžurūna Min Ţarfin Khafīyin Wa Qāla Al-Ladhīna 'Āmanū 'Inna Al-Khāsirīna Al-Ladhīna Khasirū 'Anfusahum Wa 'Ahlīhim Yawma Al-Qiyāmati 'Alā 'Inna Až-Žālimīna Fī `Adhābin Muqīmin [42.45] En gij zult hen aan het Vuur zien blootgesteld, door schande vernederd, terwijl zij er met neergeslagen ogen naar kijken. De gelovigen zullen zeggen: "De verliezers zijn inderdaad zij die zichzelf en hun familie op de Dag der Opstanding hebben verloren." Ziet toe! de onrechtvaardigen zullen een blijvende straf ontvangen. وَتَرَاهُمْ يُعْرَضُونَ عَلَيْهَا خَاشِعِينَ مِنَ الذُّلِّ يَنْظُرُونَ مِنْ طَرْفٍ خَفِيّ ٍ وَقَالَ الَّذِينَ آمَنُوا إِنَّ الْخَاسِرِينَ الَّذِينَ خَسِرُوا أَنفُسَهُمْ وَأَهْلِيهِمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ أَلاَ إِنَّ الظَّالِمِينَ فِي عَذَاب ٍ مُقِيم ٍ
Wa Mā Kāna Lahum Min 'Awliyā'a Yanşurūnahum Min Dūni Allāhi Wa Man Yuđlili Allāhu Famā Lahu Min Sabīlin [42.46] Zij hebben buiten Allah geen vrienden die hen kunnen helpen. En er is voor hen die Allah laat dwalen geen uitweg. وَمَا كَانَ لَهُمْ مِنْ أَوْلِيَاءَ يَنصُرُونَهُمْ مِنْ دُونِ اللَّهِ وَمَنْ يُضْلِلِ اللَّهُ فَمَا لَه ُُ مِنْ سَبِيل ٍ
Astajībū Lirabbikum Min Qabli 'An Ya'tiya Yawmun Lā Maradda Lahu Mina Allāhi Mā Lakum Min Malja'iin Yawma'idhin Wa Mā Lakum Min Nakīrin [42.47] Luistert naar uw Heer voordat Allah's Dag komt die niemand zal kunnen tegenhouden. Op die Dag zal er voor u geen toevlucht zijn, noch enige kans op ontkenning. اسْتَجِيبُوا لِرَبِّكُمْ مِنْ قَبْلِ أَنْ يَأْتِيَ يَوْم ٌ لاَ مَرَدَّ لَه ُُ مِنَ اللَّهِ مَا لَكُمْ مِنْ مَلْجَإ ٍ يَوْمَئِذ ٍ وَمَا لَكُمْ مِنْ نَكِير ٍ
Fa'in 'A`rađū Famā 'Arsalnāka `Alayhim Ĥafīžāan 'In `Alayka 'Illā Al-Balāghu Wa 'Innā 'Idhā 'Adhaq Al-'Insāna Minnā Raĥmatan Fariĥa Bihā Wa 'In Tuşibhum Sayyi'atun Bimā Qaddamat 'Aydīhim Fa'inna Al-'Insāna Kafūrun [42.48] Maar indien zij zich afwenden hebben Wij u niet als wachter over hen gezonden. Het is alleen uw plicht de boodschap over te brengen. En waarlijk, wanneer Wij de mens Onze barmhartigheid betuigen, verheugt hij zich er in. Maar indien hun een kwaad overkomt door hetgeen hun handen hebben bedreven, dan voorzeker, is de mens ondankbaar. فَإِنْ أَعْرَضُوا فَمَا أَرْسَلْنَاكَ عَلَيْهِمْ حَفِيظا ً إِنْ عَلَيْكَ إِلاَّ الْبَلاَغُ وَإِنَّا إِذَا أَذَقْنَا الإِنسَانَ مِنَّا رَحْمَة ً فَرِحَ بِهَا وَإِنْ تُصِبْهُمْ سَيِّئَة ٌ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ فَإِنَّ الإِنسَانَ كَفُور ٌ
Lillāhi Mulku As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Yakhluqu Mā Yashā'u Yahabu Liman Yashā'u 'Ināthāan Wa Yahabu Liman Yashā'u Adh-Dhukūra [42.49] Aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der aarde. Hij schept wat Hij wil. Hij schenkt vrouwelijke en mannelijke kinderen aan wie Hij wil. لِلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ يَخْلُقُ مَا يَشَاءُ يَهَبُ لِمَنْ يَشَاءُ إِنَاثا ً وَيَهَبُ لِمَنْ يَشَاءُ الذُّكُورَ
'Aw Yuzawwijuhum Dhukrānāan Wa 'Ināthāan Wa Yaj`alu Man Yashā'u `Aqīmāan 'Innahu `Alīmun Qadīrun [42.50] Of Hij mengt ze, mannelijk en vrouwelijk en Hij maakt onvruchtbaar wie Hij wil. Voorwaar, Hij is Alwetend, Almachtig. أَوْ يُزَوِّجُهُمْ ذُكْرَانا ً وَإِنَاثا ً وَيَجْعَلُ مَنْ يَشَاءُ عَقِيما ً إِنَّه ُُ عَلِيم ٌ قَدِير ٌ
Wa Mā Kāna Libasharin 'An Yukallimahu Allāhu 'Illā Waĥyāan 'Aw Min Warā'i Ĥijābin 'Aw Yursila Rasūlāan Fayūĥiya Bi'idhnihi Mā Yashā'u 'Innahu `Alīyun Ĥakīmun [42.51] Het is voor een mens niet mogelijk dat Allah tot hem zou spreken anders dan door ingeving of van achter een sluier of door een boodschapper te zenden om door Zijn gebod te openbaren wat Hij wil. Voorwaar, Hij is de Verhevene, de Alwijze. وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَنْ يُكَلِّمَهُ اللَّهُ إِلاَّ وَحْياً أَوْ مِنْ وَرَاءِ حِجَابٍ أَوْ يُرْسِلَ رَسُولا ً فَيُوحِيَ بِإِذْنِه ِِ مَا يَشَاءُ إِنَّه ُُ عَلِيٌّ حَكِيم ٌ
Wa Kadhalika 'Awĥaynā 'Ilayka Rūĥāan Min 'Amrinā Mā Kunta Tadrī Mā Al-Kitābu Wa Lā Al-'Īmānu Wa Lakin Ja`alnāhu Nūrāan Nahdī Bihi Man Nashā'u Min `Ibādinā Wa 'Innaka Latahdī 'Ilá Şirāţin Mustaqīmin [42.52] En zo hebben Wij u een woord door ons gebod geopenbaard. Gij wist niet wat het Boek noch wat het geloof was. Maar Wij maakten het tot een licht waarbij Wij leiding verlenen aan diegenen Onzer dienaren die Wij willen. Voorzeker, gij leidt de mens zeker naar het rechte pad, وَكَذَلِكَ أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ رُوحا ً مِنْ أَمْرِنَا مَا كُنْتَ تَدْرِي مَا الْكِتَابُ وَلاَ الإِيمَانُ وَلَكِنْ جَعَلْنَاه ُُ نُورا ً نَهْدِي بِه ِِ مَنْ نَشَاءُ مِنْ عِبَادِنَا وَإِنَّكَ لَتَهْدِي إِلَى صِرَاط ٍ مُسْتَقِيم ٍ
Şirāţi Allāhi Al-Ladhī Lahu Mā Fī As-Samāwāti Wa Mā Fī Al-'Arđi 'Alā 'Ilá Allāhi Taşīru Al-'Umūru [42.53] Het pad van Allah, aan Wie hetgeen in de hemelen en op aarde is, toebehoort. Ziet toe, tot Allah is de terugkeer van alle dingen. صِرَاطِ اللَّهِ الَّذِي لَه ُُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الأَرْضِ أَلاَ إِلَى اللَّهِ تَصِيرُ الأُمُورُ
Next Sūrah