Tabāraka Al-Ladhī Nazzala Al-Furqāna `Alá `Abdihi Liyakūna Lil`ālamīna Nadhīrāan  | [25.1] Gezegend is Hij, die de Forqaan (het onderscheid) aan Zijn dienaar heeft neder gezonden, opdat hij een waarschuwer moge zijn voor alle volkeren. | تَبَارَكَ الَّذِي نَزَّلَ الْفُرْقَانَ عَلَى عَبْدِه ِِ لِيَكُونَ لِلْعَالَمِينَ نَذِيرا ً |
Al-Ladhī Lahu Mulku As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Lam Yattakhidh Waladāan Wa Lam Yakun Lahu Sharīkun Fī Al-Mulki Wa Khalaqa Kulla Shay'in Faqaddarahu Taqdīrāan  | [25.2] Aan Wie het Koninkrijk der hemelen en der aarde toebehoort, Hij heeft zich geen zoon genomen noch heeft Hij een mededinger in Zijn Koninkrijk, Hij heeft alles geschapen, en het de juiste maat gegeven. | الَّذِي لَه ُُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَلَمْ يَتَّخِذْ وَلَدا ً وَلَمْ يَكُنْ لَه ُُ شَرِيك ٌ فِي الْمُلْكِ وَخَلَقَ كُلَّ شَيْء ٍ فَقَدَّرَه ُُ تَقْدِيرا ً |
Wa Attakhadhū Min Dūnihi 'Ālihatan Lā Yakhluqūna Shay'āan Wa Hum Yukhlaqūna Wa Lā Yamlikūna Li'nfusihim Đarrāan Wa Lā Naf`āan Wa Lā Yamlikūna Mawtāan Wa Lā Ĥayāatan Wa Lā Nushūrāan  | [25.3] Toch hebben zij (de mensen) naast Hem goden genomen die niets kunnen scheppen, doch zelf geschapen zijn, en die geen macht hebben om zichzelf goed of kwaad te doen, noch macht hebben over dood, leven of opstanding. | وَاتَّخَذُوا مِنْ دُونِهِ آلِهَة ً لاَ يَخْلُقُونَ شَيْئا ً وَهُمْ يُخْلَقُونَ وَلاَ يَمْلِكُونَ لِأنفُسِهِمْ ضَرّا ً وَلاَ نَفْعا ً وَلاَ يَمْلِكُونَ مَوْتا ً وَلاَ حَيَاة ً وَلاَ نُشُورا ً |
Wa Qāla Al-Ladhīna Kafarū 'In Hādhā 'Illā 'Ifkun Aftarāhu Wa 'A`ānahu `Alayhi Qawmun 'Ākharūna Faqad Jā'ū Žulmāan Wa Zūrāan  | [25.4] De ongelovigen zeggen: "Dit is niets dan een leugen, die hij (de Profeet) verzonnen heeft en andere mensen hebben hem er bij geholpen." Maar zij uiten daarmee onrechtvaardigheid en leugen. | وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا إِنْ هَذَا إِلاَّ إِفْك ٌ افْتَرَاه ُُ وَأَعَانَه ُُ عَلَيْهِ قَوْم ٌ آخَرُونَ فَقَدْ جَاءُوا ظُلْما ً وَزُورا ً |
Wa Qālū 'Asāţīru Al-'Awwalīna Aktatabahā Fahiya Tumlá `Alayhi Bukratan Wa 'Aşīlāan  | [25.5] En zij zeggen: "Dit zijn fabelen der ouden; hij heeft ze laten neerschrijven en zij worden hem 's morgens en 's avonds voorgezegd." | وَقَالُوا أَسَاطِيرُ الأَوَّلِينَ اكْتَتَبَهَا فَهِيَ تُمْلَى عَلَيْهِ بُكْرَة ً وَأَصِيلا ً |
Qul 'Anzalahu Al-Ladhī Ya`lamu As-Sirra Fī As-Samāwāti Wa Al-'Arđi 'Innahu Kāna Ghafūrāan Raĥīmāan  | [25.6] Zeg: "Hij, Die de geheimen der hemelen en der aarde kent, heeft het nedergezonden. Waarlijk, Hij is Vergevensgezind, Genadevol." | قُلْ أَنزَلَهُ الَّذِي يَعْلَمُ السِّرَّ فِي السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ إِنَّه ُُ كَانَ غَفُورا ً رَحِيما ً |
Wa Qālū Māli Hādhā Ar-Rasūli Ya'kulu Aţ-Ţa`āma Wa Yamshī Fī Al-'Aswāqi Lawlā 'Unzila 'Ilayhi Malakun Fayakūna Ma`ahu Nadhīrāan  | [25.7] En zij zeggen: "Wat voor boodschapper is deze die voedsel gebruikt en op straat wandelt? Waarom is geen engel tot hem nedergezonden om met hem een waarschuwer te zijn? | وَقَالُوا مَالِ هَذَا الرَّسُولِ يَأْكُلُ الطَّعَامَ وَيَمْشِي فِي الأَسْوَاقِ لَوْلاَ أُنزِلَ إِلَيْهِ مَلَك ٌ فَيَكُونَ مَعَه ُُ نَذِيرا ً |
'Aw Yulqá 'Ilayhi Kanzun 'Aw Takūnu Lahu Jannatun Ya'kulu Minhā Wa Qāla Až-Žālimūna 'In Tattabi`ūna 'Illā Rajulāan Masĥūrāan  | [25.8] Ofwel een schat had tot hem nedergeworpen moeten worden of hij had een tuin moeten hebben om (de vruchten) er van te eten." En de onrechtvaardigen zeggen: "Gij volgt slechts een betoverd man!" | أَوْ يُلْقَى إِلَيْهِ كَنزٌ أَوْ تَكُونُ لَه ُُ جَنَّة ٌ يَأْكُلُ مِنْهَا وَقَالَ الظَّالِمُونَ إِنْ تَتَّبِعُونَ إِلاَّ رَجُلا ً مَسْحُورا ً |
Anžur Kayfa Đarabū Laka Al-'Amthāla Fađallū Falā Yastaţī`ūna Sabīlāan  | [25.9] Zie, wat voor verhalen zij over u doen, zij zijn verdwaald en kunnen de rechte weg niet vinden. | انظُرْ كَيْفَ ضَرَبُوا لَكَ الأَمْثَالَ فَضَلُّوا فَلاَ يَسْتَطِيعُونَ سَبِيلا ً |
Tabāraka Al-Ladhī 'In Shā'a Ja`ala Laka Khayrāan Min Dhālika Jannātin Tajrī Min Taĥtihā Al-'Anhāru Wa Yaj`al Laka Quşūrāan  | [25.10] Gezegend is Hij Die, indien Hij het wil u iets beters dan dat alles zal schenken - tuinen, waar doorheen rivieren stromen, en ook paleizen. | تَبَارَكَ الَّذِي إِنْ شَاءَ جَعَلَ لَكَ خَيْرا ً مِنْ ذَلِكَ جَنَّات ٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأَنْهَارُ وَيَجْعَلْ لَكَ قُصُورا ً |
Bal Kadhdhabū Bis-Sā`ati Wa 'A`tadnā Liman Kadhdhaba Bis-Sā`ati Sa`īrāan  | [25.11] Neen, zij verloochenen het Uur en voor degenen die dat Uur verloochenen hebben Wij een laaiend Vuur bereid. | بَلْ كَذَّبُوا بِالسَّاعَةِ وَأَعْتَدْنَا لِمَنْ كَذَّبَ بِالسَّاعَةِ سَعِيرا ً |
'Idhā Ra'at/hum Min Makānin Ba`īdin Sami`ū Lahā Taghayyužāan Wa Zafīrāan  | [25.12] Wanneer de hel hen vanuit de verte zal zien, zullen zij het woeden en razen horen. | إِذَا رَأَتْهُم مِنْ مَكَان ٍ بَعِيد ٍ سَمِعُوا لَهَا تَغَيُّظا ً وَزَفِيرا ً |
Wa 'Idhā 'Ulqū Minhā Makānāan Đayyiqāan Muqarranīna Da`aw Hunālika Thubūrāan  | [25.13] En wanneer zij, aan elkander geketend, op een kleine ruimte daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om vernietiging roepen. | وَإِذَا أُلْقُوا مِنْهَا مَكَانا ً ضَيِّقا ً مُقَرَّنِينَ دَعَوْا هُنَالِكَ ثُبُورا ً |
Lā Tad`ū Al-Yawma Thubūrāan Wāĥidāan Wa Ad`ū Thubūrāan Kathīrāan  | [25.14] "Roept niet éénmaal om vernietiging doch roept er keer op keer om." | لاَ تَدْعُوا الْيَوْمَ ثُبُورا ً وَاحِدا ً وَادْعُوا ثُبُورا ً كَثِيرا ً |
Qul 'Adhalika Khayrun 'Am Jannatu Al-Khuldi Allatī Wu`ida Al-Muttaqūna Kānat Lahum Jazā'an Wa Maşīrāan  | [25.15] Zeg: "Is dit beter of de tuin der eeuwigheid die de rechtvaardigen is beloofd? Deze zal hun loon en hun toevlucht zijn." | قُلْ أَذَلِكَ خَيْرٌ أَمْ جَنَّةُ الْخُلْدِ الَّتِي وُعِدَ الْمُتَّقُونَ كَانَتْ لَهُمْ جَزَاء ً وَمَصِيرا ً |
Lahum Fīhā Mā Yashā'ūna Khālidīna Kāna `Alá Rabbika Wa`dāan Mas'ūlāan  | [25.16] Zij zullen er alles in ontvangen waar zij naar verlangen en zij zullen er blijvend vertoeven. Dit is een belofte van uw Heer waar om gevraagd mag worden. | لَهُمْ فِيهَا مَا يَشَاءُونَ خَالِدِينَ كَانَ عَلَى رَبِّكَ وَعْدا ً مَسْئُولا ً |
Wa Yawma Yaĥshuruhum Wa Mā Ya`budūna Min Dūni Allāhi Fayaqūlu 'A'antum 'Ađlaltum `Ibādī Hā'uulā' 'Am Hum Đallū As-Sabīla  | [25.17] En de Dag waarop Hij de ongelovigen en degenen die zij naast Allah aanbidden zal verzamelen, zal Hij vragen: "Waart gij het, die deze mijn dienaren deedt dwalen, of dwaalden zij zelf van het rechte pad af?" | وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ وَمَا يَعْبُدُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ فَيَقُولُ أَأَنْتُمْ أَضْلَلْتُمْ عِبَادِي هَاؤُلاَء أَمْ هُمْ ضَلُّوا السَّبِيلَ |
Qālū Subĥānaka Mā Kāna Yanbaghī Lanā 'An Nattakhidha Min Dūnika Min 'Awliyā'a Wa Lakin Matta`tahum Wa 'Ābā'ahum Ĥattá Nasū Adh-Dhikra Wa Kānū Qawmāan Būrāan  | [25.18] Zij zullen antwoorden: "Ere zij U; Het betaamde ons niet andere beschermers dan U te nemen, maar Gij hebt hen en hun vaderen doen genieten totdat zij de aanmaning vergaten en een verloren volk werden." | قَالُوا سُبْحَانَكَ مَا كَانَ يَنْبَغِي لَنَا أَنْ نَتَّخِذَ مِنْ دُونِكَ مِنْ أَوْلِيَاءَ وَلَكِنْ مَتَّعْتَهُمْ وَآبَاءَهُمْ حَتَّى نَسُوا الذِّكْرَ وَكَانُوا قَوْما ً بُورا ً |
Faqad Kadhdhabūkum Bimā Taqūlūna Famā Tastaţī`ūna Şarfāan Wa Lā Naşrāan Wa Man Yažlim Minkum Nudhiqhu `Adhābāan Kabīrāan  | [25.19] Zo hebben dezen wat gij zegt, verloochend, zodat gij de straf niet kunt afwenden of hen helpen. En wie onder u onrechtvaardig is, Wij zullen hem een zware straf doen ondergaan. | فَقَدْ كَذَّبُوكُمْ بِمَا تَقُولُونَ فَمَا تَسْتَطِيعُونَ صَرْفا ً وَلاَ نَصْرا ً وَمَنْ يَظْلِمْ مِنْكُمْ نُذِقْهُ عَذَابا ً كَبِيرا ً |
Wa Mā 'Arsalnā Qablaka Mina Al-Mursalīna 'Illā 'Innahum Laya'kulūna Aţ-Ţa`āma Wa Yamshūna Fī Al-'Aswāqi Wa Ja`alnā Ba`đakum Liba`đin Fitnatan 'Ataşbirūna Wa Kāna Rabbuka Başīrāan  | [25.20] En Wij zonden nooit boodschappers vََr u, of zij gebruikten voedsel en liepen op straat. En Wij gebruiken sommigen uwer tot een beproeving voor anderen. Zult gij geduldig zijn? Want uw Heer is Alziende. | وَما أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ مِنَ الْمُرْسَلِينَ إِلاَّ إِنَّهُمْ لَيَأْكُلُونَ الطَّعَامَ وَيَمْشُونَ فِي الأَسْوَاقِ وَجَعَلْنَا بَعْضَكُمْ لِبَعْض ٍ فِتْنَةً أَتَصْبِرُونَ وَكَانَ رَبُّكَ بَصِيرا ً |
Wa Qāla Al-Ladhīna Lā Yarjūna Liqā'anā Lawlā 'Unzila `Alaynā Al-Malā'ikatu 'Aw Nará Rabbanā Laqadi Astakbarū Fī 'Anfusihim Wa `Ataw `Utūwāan Kabīrāan  | [25.21] Zij die Onze ontmoeting niet verwachten zeggen: "Waarom zijn geen engelen tot ons nedergezonden? of waarom kunnen wij onze Heer niet zien?" Voorzeker, zij schatten zich te hoog en zijn de perken ver te buiten gegaan. | وَقَالَ الَّذِينَ لاَ يَرْجُونَ لِقَاءَنَا لَوْلاَ أُنزِلَ عَلَيْنَا الْمَلاَئِكَةُ أَوْ نَرَى رَبَّنَا لَقَدِ اسْتَكْبَرُوا فِي أَنفُسِهِمْ وَعَتَوْا عُتُوّا ً كَبِيرا ً |
Yawma Yarawna Al-Malā'ikata Lā Bushrá Yawma'idhin Lilmujrimīna Wa Yaqūlūna Ĥijrāan Maĥjūrāan  | [25.22] De Dag waarop zij de engelen zullen zien, zal er geen goed nieuws zijn voor de schuldigen; dan zullen zij zeggen: "Ware er slechts een grote afscheiding (tussen ons)." | يَوْمَ يَرَوْنَ الْمَلاَئِكَةَ لاَ بُشْرَى يَوْمَئِذ ٍ لِلْمُجْرِمِينَ وَيَقُولُونَ حِجْرا ً مَحْجُورا ً |
Wa Qadimnā 'Ilá Mā `Amilū Min `Amalin Faja`alnāhu Habā'an Manthūrāan  | [25.23] En Wij zullen ons tot hun werken wenden en zullen deze als stof verstrooien. | وَقَدِمْنَا إِلَى مَا عَمِلُوا مِنْ عَمَل ٍ فَجَعَلْنَاه ُُ هَبَاء ً مَنْثُورا ً |
'Aşĥābu Al-Jannati Yawma'idhin Khayrun Mustaqarrāan Wa 'Aĥsanu Maqīlāan  | [25.24] De bewoners van het paradijs zullen op die Dag er beter aan toe zijn betreffende het tehuis, en beter betreffende de rustplaats. | أَصْحَابُ الْجَنَّةِ يَوْمَئِذٍ خَيْر ٌ مُسْتَقَرّا ً وَأَحْسَنُ مَقِيلا ً |
Wa Yawma Tashaqqaqu As-Samā'u Bil-Ghamāmi Wa Nuzzila Al-Malā'ikatu Tanzīlāan  | [25.25] En de Dag waarop de hemel met de wolken zal worden gespleten en de engelen worden nedergezonden in grote aantallen; | وَيَوْمَ تَشَقَّقُ السَّمَاءُ بِالْغَمَامِ وَنُزِّلَ الْمَلاَئِكَةُ تَنزِيلا ً |
Al-Mulku Yawma'idhin Al-Ĥaqqu Lilrraĥmani Wa Kāna Yawmāan `Alá Al-Kāfirīna `Asīrāan  | [25.26] Het ware Koninkrijk zal op die Dag aan de Genadevolle behoren, maar het zal voor de ongelovigeneen moeilijke Dag zijn. | الْمُلْكُ يَوْمَئِذ ٍ الْحَقُّ لِلرَّحْمَنِ وَكَانَ يَوْماً عَلَى الْكَافِرِينَ عَسِيرا ً |
Wa Yawma Ya`ađđu Až-Žālimu `Alá Yadayhi Yaqūlu Yā Laytanī Attakhadhtu Ma`a Ar-Rasūli Sabīlāan  | [25.27] De Dag waarop de onrechtvaardige op zijn handen zal bijten zal hij zeggen: "O, had ik de weg met de boodschapper maar gevolgd. | وَيَوْمَ يَعَضُّ الظَّالِمُ عَلَى يَدَيْهِ يَقُولُ يَالَيْتَنِي اتَّخَذْتُ مَعَ الرَّسُولِ سَبِيلا ً |
Yā Waylatī Laytanī Lam 'Attakhidh Fulānāan Khalīlāan  | [25.28] O. wee! Had ik nooit zo iemand als vriend genomen. | يَاوَيْلَتِي لَيْتَنِي لَمْ أَتَّخِذْ فُلاَناً خَلِيلا ً |
Laqad 'Ađallanī `Ani Adh-Dhikri Ba`da 'Idh Jā'anī Wa Kāna Ash-Shayţānu Lil'insāni Khadhūlāan  | [25.29] Hij deed mij van de herinnering afdwalen nadat zij tot mij was gekomen." En Satan laat de mens in de steek. | لَقَدْ أَضَلَّنِي عَنِ الذِّكْرِ بَعْدَ إِذْ جَاءَنِي وَكَانَ الشَّيْطَانُ لِلإِنسَانِ خَذُولا ً |
Wa Qāla Ar-Rasūlu Yā Rabbi 'Inna Qawmī Attakhadhū Hādhā Al-Qur'āna Mahjūrāan  | [25.30] En de boodschapper zal zeggen: "O, mijn Heer, mijn volk heeft deze Koran verzaakt!" | وَقَالَ الرَّسُولُ يَارَبِّ إِنَّ قَوْمِي اتَّخَذُوا هَذَا الْقُرْآنَ مَهْجُورا ً |
Wa Kadhalika Ja`alnā Likulli Nabīyin `Adūwāan Mina Al-Mujrimīna Wa Kafá Birabbika Hādīāan Wa Naşīrāan  | [25.31] Zo maken Wij voor elke profeet een vijand van onder de zondaren; uw Heer is voldoende als Leider en Helper. | وَكَذَلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نَبِيٍّ عَدُوّا ً مِنَ الْمُجْرِمِينَ وَكَفَى بِرَبِّكَ هَادِيا ً وَنَصِيرا ً |
Wa Qāla Al-Ladhīna Kafarū Lawlā Nuzzila `Alayhi Al-Qur'ānu Jumlatan Wāĥidatan Kadhālika Linuthabbita Bihi Fu'uādaka Wa Rattalnāhu Tartīlāan  | [25.32] En de ongelovigen zeggen: "Waarom werd de Koran niet ineens aan hem geopenbaard?" Zo is het, opdat Wij daarmee uw hart mogen versterken. En Wij hebben hem duidelijk en geleidelijk uiteengezet. | وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْلاَ نُزِّلَ عَلَيْهِ الْقُرْآنُ جُمْلَة ً وَاحِدَة ً كَذَلِكَ لِنُثَبِّتَ بِه ِِ فُؤَادَكَ وَرَتَّلْنَاه ُُ تَرْتِيلا ً |
Wa Lā Ya'tūnaka Bimathalin 'Illā Ji'nāka Bil-Ĥaqqi Wa 'Aĥsana Tafsīrāan  | [25.33] En zij stellen u geen vraag of Wij geven u de waarheid en een uitmuntende uitleg. | وَلاَ يَأْتُونَكَ بِمَثَل ٍ إِلاَّ جِئْنَاكَ بِالْحَقِّ وَأَحْسَنَ تَفْسِيرا ً |
Al-Ladhīna Yuĥsharūna `Alá Wujūhihim 'Ilá Jahannama 'Ūlā'ika Sharrun Makānāan Wa 'Ađallu Sabīlāan  | [25.34] Zij die vernederd naar de hel zullen worden gebracht, verkeren in een slechte toestand, en zij zijn het meest van het rechte pad afgedwaald. | الَّذِينَ يُحْشَرُونَ عَلَى وُجُوهِهِمْ إِلَى جَهَنَّمَ أُوْلَائِكَ شَرّ ٌ مَكَانا ً وَأَضَلُّ سَبِيلا ً |
Wa Laqad 'Ātaynā Mūsá Al-Kitāba Wa Ja`alnā Ma`ahu 'Akhāhu Hārūna Wazīrāan  | [25.35] Wij gaven Mozes het Boek (der Wet) en stelden zijn broeder Aنron tot helper aan. | وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ وَجَعَلْنَا مَعَهُ~ُ أَخَاه ُُ هَارُونَ وَزِيرا ً |
Faqulnā Adh/habā 'Ilá Al-Qawmi Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā Fadammarnāhum Tadmīrāan  | [25.36] En Wij zeiden: "Gaat samen naar het volk dat Onze Tekenen verloochent." Daarna vernietigden Wij hen. | فَقُلْنَا اذْهَبَا إِلَى الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا فَدَمَّرْنَاهُمْ تَدْمِيرا ً |
Wa Qawma Nūĥin Lammā Kadhdhabū Ar-Rusula 'Aghraqnāhum Wa Ja`alnāhum Lilnnāsi 'Āyatan Wa 'A`tadnā Lilžžālimīna `Adhābāan 'Alīmāan  | [25.37] En het volk van Noach: toen dit de boodschappers verloochende, verdronken Wij het en Wij maakten het tot een teken voor het mensdom. En Wij hebben een pijnlijke straf voor de onrechtvaardigen bereid. | وَقَوْمَ نُوح ٍ لَمَّا كَذَّبُوا الرُّسُلَ أَغْرَقْنَاهُمْ وَجَعَلْنَاهُمْ لِلنَّاسِ آيَة ً وَأَعْتَدْنَا لِلظَّالِمِينَ عَذَاباً أَلِيما ً |
Wa `Ādāan Wa Thamūda Wa 'Aşĥāba Ar-Rassi Wa Qurūnāan Bayna Dhālika Kathīrāan  | [25.38] En herinnert u Aad en Samoed en het volk van de Bron en vele andere geslachten tussen hen. | وَعَادا ً وَثَمُودَ وَأَصْحَابَ الرَّسِّ وَقُرُونا ً بَيْنَ ذَلِكَ كَثِيرا ً |
Wa Kullāan Đarabnā Lahu Al-'Amthāla Wa Kullāan Tabbarnā Tatbīrāan  | [25.39] Wij gaven aan ieder hunner allerlei voorbeelden en Wij vernietigden allen. | وَكُلاّ ً ضَرَبْنَا لَهُ الأَمْثَالَ وَكُلاّ ً تَبَّرْنَا تَتْبِيرا ً |
Wa Laqad 'Ataw `Alá Al-Qaryati Allatī 'Umţirat Maţara As-Saw'i 'Afalam Yakūnū Yarawnahā Bal Kānū Lā Yarjūna Nushūrāan  | [25.40] En zij komen voorzeker de stad voorbij, waarop een boze regen was gevallen. Zien zij die (plaats) dan niet? Neen, zij verwachten de Opstanding niet. | وَلَقَدْ أَتَوْا عَلَى الْقَرْيَةِ الَّتِي أُمْطِرَتْ مَطَرَ السَّوْءِ أَفَلَمْ يَكُونُوا يَرَوْنَهَا بَلْ كَانُوا لاَ يَرْجُونَ نُشُورا ً |
Wa 'Idhā R'awka 'In Yattakhidhūnaka 'Illā Huzūan 'Ahadhā Al-Ladhī Ba`atha Allāhu Rasūlāan  | [25.41] Wanneer zij u zien maken zij u slechts tot een bespotting. "Is hij het, die Allah als boodschapper heeft gezonden? | وَإِذَا رأَوْكَ إِنْ يَتَّخِذُونَكَ إِلاَّ هُزُواً أَهَذَا الَّذِي بَعَثَ اللَّهُ رَسُولا ً |
'In Kāda Layuđillunā `An 'Ālihatinā Lawlā 'An Şabarnā `Alayhā Wa Sawfa Ya`lamūna Ĥīna Yarawna Al-`Adhāba Man 'Ađallu Sabīlāan  | [25.42] Hij had ons inderdaad bijna van onze Goden doen afdwalen, als wij jegens hen niet standvastig waren gebleven." Maar zij zullen weldra te weten komen, wanneer zij de straf zullen aanschouwen, wie het meest afgedwaald is van het rechte pad. | إِنْ كَادَ لَيُضِلُّنَا عَنْ آلِهَتِنَا لَوْلاَ أَنْ صَبَرْنَا عَلَيْهَا وَسَوْفَ يَعْلَمُونَ حِينَ يَرَوْنَ الْعَذَابَ مَنْ أَضَلُّ سَبِيلا ً |
'Ara'ayta Mani Attakhadha 'Ilahahu Hawāhu 'Afa'anta Takūnu `Alayhi Wa Kīlāan  | [25.43] Hebt gij hem gezien, die zijn eigen begeerte als zijn God aanneemt? Wilt gij dan een beschermer over hem zijn? | أَرَأَيْتَ مَنِ اتَّخَذَ إِلَهَه ُُ هَوَاهُ~ُ أَفَأَنْتَ تَكُونُ عَلَيْهِ وَكِيلا ً |
'Am Taĥsabu 'Anna 'Aktharahum Yasma`ūna 'Aw Ya`qilūna 'In Hum 'Illā Kāl'an`ām Bal Hum 'Ađallu Sabīlāan  | [25.44] Denkt gij dat de meesten hunner horen of begrijpen? Zij zijn slechts als vee - neen, zij zijn verder afgedwaald. | أَمْ تَحْسَبُ أَنَّ أَكْثَرَهُمْ يَسْمَعُونَ أَوْ يَعْقِلُونَ إِنْ هُمْ إِلاَّ كَالأَنعَام بَلْ هُمْ أَضَلُّ سَبِيلا ً |
'Alam Tará 'Ilá Rabbika Kayfa Madda Až-Žilla Wa Law Shā'a Laja`alahu Sākināan Thumma Ja`alnā Ash-Shamsa `Alayhi Dalīlāan  | [25.45] Hebt gij niet gezien hoe uw Heer de schaduw verlengt? - En indien Hij het had gewild, kon Hij haar onbeweeglijk hebben gemaakt - Dan hebben Wij de zon tot een leider er van gemaakt. | أَلَمْ تَرَى إِلَى رَبِّكَ كَيْفَ مَدَّ الظِّلَّ وَلَوْ شَاءَ لَجَعَلَه ُُ سَاكِنا ً ثُمَّ جَعَلْنَا الشَّمْسَ عَلَيْهِ دَلِيلا ً |
Thumma Qabađnāhu 'Ilaynā Qabđāan Yasīrāan  | [25.46] Daarna trekken Wij haar langzaam tot Ons terug. | ثُمَّ قَبَضْنَاهُ~ُ إِلَيْنَا قَبْضا ً يَسِيرا ً |
Wa Huwa Al-Ladhī Ja`ala Lakumu Al-Layla Libāsāan Wa An-Nawma Subātāan Wa Ja`ala An-Nahāra Nushūrāan  | [25.47] En Hij is het, Die de nacht tot een bedekking voor u heeft gemaakt en de slaap voor rust, en de dag voor het opstaan. | وَهُوَ الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ اللَّيْلَ لِبَاسا ً وَالنَّوْمَ سُبَاتا ً وَجَعَلَ النَّهَارَ نُشُورا ً |
Wa Huwa Al-Ladhī 'Arsala Ar-Riyāĥa Bushrāan Bayna Yaday Raĥmatihi Wa 'Anzalnā Mina As-Samā'i Mā'an Ţahūrāan  | [25.48] En Hij is het, Die de winden als blijde aankondiging voor Zijn barmhartigheid uitzendt en Wij zenden zuiver water uit de wolken neer. | وَهُوَ الَّذِي أَرْسَلَ الرِّيَاحَ بُشْرا ً بَيْنَ يَدَيْ رَحْمَتِه ِِ وَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاء ً طَهُورا ً |
Linuĥyiya Bihi Baldatan Maytāan Wa Nusqiyahu Mimmā Khalaqnā 'An`āmāan Wa 'Anāsīya Kathīrāan  | [25.49] Opdat Wij daarmee leven mogen schenken aan een dor land, en het ook als drank geven aan Onze schepping - aan vee en mensen in grote getale. | لِنُحْيِيَ بِه ِِ بَلْدَة ً مَيْتا ً وَنُسْقِيَه ُُ مِمَّا خَلَقْنَا أَنْعَاما ً وَأَنَاسِيَّ كَثِيرا ً |
Wa Laqad Şarrafnāhu Baynahum Liyadhdhakkarū Fa'abá 'Aktharu An-Nāsi 'Illā Kufūrāan  | [25.50] En Wij herhalen dit voor hen opdat zij er lering uit mogen trekken, maar de meeste mensen weigeren alles, behalve ondankbaarheid. | وَلَقَدْ صَرَّفْنَاه ُُ بَيْنَهُمْ لِيَذَّكَّرُوا فَأَبَى أَكْثَرُ النَّاسِ إِلاَّ كُفُورا ً |
Wa Law Shi'nā Laba`athnā Fī Kulli Qaryatin Nadhīrāan  | [25.51] Als Wij het hadden gewild konden Wij zeker in elke stad een waarschuwer hebben verwekt. | وَلَوْ شِئْنَا لَبَعَثْنَا فِي كُلِّ قَرْيَة ٍ نَذِيرا ً |
Falā Tuţi`i Al-Kāfirīna Wa Jāhid/hum Bihi Jihādāan Kabīrāan  | [25.52] Dus volg de ongelovigen niet, en voer met (de Koran) een grote strijd tegen hen. | فَلاَ تُطِعِ الْكَافِرِينَ وَجَاهِدْهُمْ بِه ِِ جِهَادا ً كَبِيرا ً |
Wa Huwa Al-Ladhī Maraja Al-Baĥrayni Hādhā `Adhbun Furātun Wa Hadhā Milĥun 'Ujājun Wa Ja`ala Baynahumā Barzakhāan Wa Ĥijrāan Maĥjūrāan  | [25.53] En Hij is het die twee wateren heeft doen stromen, het ene zoet en het andere zout, en tussen hen heeft Hij een afscheiding en een versperring geplaatst. | وَهُوَ الَّذِي مَرَجَ الْبَحْرَيْنِ هَذَا عَذْب ٌ فُرَات ٌ وَهَذَا مِلْحٌ أُجَاج ٌ وَجَعَلَ بَيْنَهُمَا بَرْزَخا ً وَحِجْرا ً مَحْجُورا ً |
Wa Huwa Al-Ladhī Khalaqa Mina Al-Mā'i Basharāan Faja`alahu Nasabāan Wa Şihrāan Wa Kāna Rabbuka Qadīrāan  | [25.54] En Hij is het Die de mens uit water heeft geschapen en heeft hem verwanten gegeven door afstamming en huwelijk; uw Heer is Almachtig. | وَهُوَ الَّذِي خَلَقَ مِنَ الْمَاءِ بَشَرا ً فَجَعَلَه ُُ نَسَبا ً وَصِهْرا ً وَكَانَ رَبُّكَ قَدِيرا ً |
Wa Ya`budūna Min Dūni Allāhi Mā Lā Yanfa`uhum Wa Lā Yađurruhum Wa Kāna Al-Kāfiru `Alá Rabbihi Žahīrāan  | [25.55] Toch aanbidden zij naast Allah datgene dat hen helpen noch schaden kan. De ongelovige is een helper tegen zijn Heer. | وَيَعْبُدُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ مَا لاَ يَنفَعُهُمْ وَلاَ يَضُرُّهُمْ وَكَانَ الْكَافِرُ عَلَى رَبِّه ِِ ظَهِيرا ً |
Wa Mā 'Arsalnāka 'Illā Mubashshirāan Wa Nadhīrāan  | [25.56] En Wij hebben u slechts als drager van blijde tijdingen en als waarschuwer gezonden. | وَمَا أَرْسَلْنَاكَ إِلاَّ مُبَشِّرا ً وَنَذِيرا ً |
Qul Mā 'As'alukum `Alayhi Min 'Ajrin 'Illā Man Shā'a 'An Yattakhidha 'Ilá Rabbihi Sabīlāan  | [25.57] Zeg: "Ik vraag van u geen vergoeding er voor, behalve dat hij, die dit wil, de weg naar zijn Heer moge inslaan. | قُلْ مَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْر ٍ إِلاَّ مَنْ شَاءَ أَنْ يَتَّخِذَ إِلَى رَبِّه ِِ سَبِيلا ً |
Wa Tawakkal `Alá Al-Ĥayyi Al-Ladhī Lā Yamūtu Wa Sabbiĥ Biĥamdihi Wa Kafá Bihi Bidhunūbi `Ibādihi Khabīrāan  | [25.58] En stel uw vertrouwen in de Levende, Die niet sterft, en verheerlijk Hem met de lof die Hem toekomt. Hij is goed op de hoogte met de zonden van Zijn dienaren. | وَتَوَكَّلْ عَلَى الْحَيِّ الَّذِي لاَ يَمُوتُ وَسَبِّحْ بِحَمْدِه ِِ وَكَفَى بِه ِِ بِذُنُوبِ عِبَادِه ِِ خَبِيرا ً |
Al-Ladhī Khalaqa As-Samāwāti Wa Al-'Arđa Wa Mā Baynahumā Fī Sittati 'Ayyāmin Thumma Astawá `Alá Al-`Arshi Ar-Raĥmānu Fās'al Bihi Khabīrāan  | [25.59] Hij, Die de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is, in zes dagen schiep, zette Zich dan op de Troon. Hij is de Barmhartige. Vraag dus iemand die meer over Hem weet. | الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا فِي سِتَّةِ أَيَّام ٍ ثُمَّ اسْتَوَى عَلَى الْعَرْشِ الرَّحْمَنُ فَاسْأَلْ بِه ِِ خَبِيرا ً |
Wa 'Idhā Qīla Lahum Asjudū Lilrraĥmani Qālū Wa Mā Ar-Raĥmānu 'Anasjudu Limā Ta'murunā Wa Zādahum Nufūrāan  | [25.60] En wanneer er tot de ongelovigen wordt gezegd: "Werpt u neder voor de Barmhartige," zeggen zij: "En wie is de Barmhartige? Zullen wij ons nederwerpen voor degene die gij ons gelast?" En dit vermeerdert slechts hun afkeer. | وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ اسْجُدُوا لِلرَّحْمَنِ قَالُوا وَمَا الرَّحْمَنُ أَنَسْجُدُ لِمَا تَأْمُرُنَا وَزَادَهُمْ نُفُورا ً |
Tabāraka Al-Ladhī Ja`ala Fī As-Samā'i Burūjāan Wa Ja`ala Fīhā Sirājāan Wa Qamarāan Munīrāan  | [25.61] Gezegend is Hij, Die de sterren, de stralende zon en de glanzende maan aan de hemel heeft geplaatst. | تَبَارَكَ الَّذِي جَعَلَ فِي السَّمَاءِ بُرُوجا ً وَجَعَلَ فِيهَا سِرَاجا ً وَقَمَرا ً مُنِيرا ً |
Wa Huwa Al-Ladhī Ja`ala Al-Layla Wa An-Nahāra Khilfatan Liman 'Arāda 'An Yadhdhakkara 'Aw 'Arāda Shukūrāan  | [25.62] En Hij is het Die de nacht en de dag heeft ingesteld die elkander opvolgen; dit is voor hen die er lering uit willen trekken, of hun dankbaarheid betonen. | وَهُوَ الَّذِي جَعَلَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ خِلْفَة ً لِمَنْ أَرَادَ أَنْ يَذَّكَّرَ أَوْ أَرَادَ شُكُورا ً |
Wa `Ibādu Ar-Raĥmāni Al-Ladhīna Yamshūna `Alá Al-'Arđi Hawnāan Wa 'Idhā Khāţabahumu Al-Jāhilūna Qālū Salāmāan  | [25.63] En de dienaren van de Barmhartige zijn zij, die zachtmoedig op aarde wandelen en als de onwetenden hen aanspreken, zeggen zij: "Vrede". | وَعِبَادُ الرَّحْمَنِ الَّذِينَ يَمْشُونَ عَلَى الأَرْضِ هَوْنا ً وَإِذَا خَاطَبَهُمُ الْجَاهِلُونَ قَالُوا سَلاَما ً |
Wa Al-Ladhīna Yabītūna Lirabbihim Sujjadāan Wa Qiyāmāan  | [25.64] En zij, die de nacht doorbrengen zich voor hun Heer ter aarde werpende en voor Hem staande. | وَالَّذِينَ يَبِيتُونَ لِرَبِّهِمْ سُجَّدا ً وَقِيَاما ً |
Wa Al-Ladhīna Yaqūlūna Rabbanā Aşrif `Annā `Adhāba Jahannama 'Inna `Adhābahā Kāna Gharāmāan  | [25.65] Terwijl zij zeggen:"Onze Heer, wend de straf der hel van ons af want de straf daarvan is een voortdurende kwelling." | وَالَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا اصْرِفْ عَنَّا عَذَابَ جَهَنَّمَ إِنَّ عَذَابَهَا كَانَ غَرَاما ً |
'Innahā Sā'at Mustaqarrāan Wa Muqāmāan  | [25.66] Zij is inderdaad slecht als rustplaats en als tehuis. | إِنَّهَا سَاءَتْ مُسْتَقَرّا ً وَمُقَاما ً |
Wa Al-Ladhīna 'Idhā 'Anfaqū Lam Yusrifū Wa Lam Yaqturū Wa Kāna Bayna Dhālika Qawāmāan  | [25.67] En zij, die, als zij iets besteden, noch spilzuchtig noch vrekkig zijn, maar evenwichtig blijven tussen beide in. | وَالَّذِينَ إِذَا أَنفَقُوا لَمْ يُسْرِفُوا وَلَمْ يَقْتُرُوا وَكَانَ بَيْنَ ذَلِكَ قَوَاما ً |
Wa Al-Ladhīna Lā Yad`ūna Ma`a Allāhi 'Ilahāan 'Ākhara Wa Lā Yaqtulūna An-Nafsa Allatī Ĥarrama Allāhu 'Illā Bil-Ĥaqqi Wa Lā Yaznūna Wa Man Yaf`al Dhālika Yalqa 'Athāmāan  | [25.68] En zij die geen andere goden naast Allah aanroepen noch iemand doden, wat Allah heeft verboden, tenzij met recht, noch overspel plegen; en hij die dat doet zal een straf ondergaan. | وَالَّذِينَ لاَ يَدْعُونَ مَعَ اللَّهِ إِلَها ً آخَرَ وَلاَ يَقْتُلُونَ النَّفْسَ الَّتِي حَرَّمَ اللَّهُ إِلاَّ بِالْحَقِّ وَلاَ يَزْنُونَ وَمَنْ يَفْعَلْ ذَلِكَ يَلْقَ أَثَاما ً |
Yuđā`af Lahu Al-`Adhābu Yawma Al-Qiyāmati Wa Yakhlud Fīhi Muhānāan  | [25.69] De straf zal hem verdubbeld worden op de Dag der Opstanding, en hij zal daar vernederd in vertoeven. | يُضَاعَفْ لَهُ الْعَذَابُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَيَخْلُدْ فِيه ِِ مُهَانا ً |
'Illā Man Tāba Wa 'Āmana Wa `Amila `Amalāan Şāliĥāan Fa'ūlā'ika Yubaddilu Allāhu Sayyi'ātihim Ĥasanātin Wa Kāna Allāhu Ghafūrāan Raĥīmāan  | [25.70] Met uitzondering van hen die berouw hebben en geloven en goede daden doen, voor dezulken zal Allah de slechte daden in goede daden veranderen, want Allah is Vergevensgezind, Barmhartig! | إِلاَّ مَنْ تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ عَمَلا ً صَالِحا ً فَأُوْلَائِكَ يُبَدِّلُ اللَّهُ سَيِّئَاتِهِمْ حَسَنَات ٍ وَكَانَ اللَّهُ غَفُورا ً رَحِيما ً |
Wa Man Tāba Wa `Amila Şāliĥāan Fa'innahu Yatūbu 'Ilá Allāhi Matābāan  | [25.71] En hij die berouw heeft, en het goede doet, wendt zich voorzeker berouwvol tot Allah. | وَمَنْ تَابَ وَعَمِلَ صَالِحا ً فَإِنَّه ُُ يَتُوبُ إِلَى اللَّهِ مَتَابا ً |
Wa Al-Ladhīna Lā Yash/hadūna Az-Zūra Wa 'Idhā Marrū Bil-Laghwi Marrū Kirāmāan  | [25.72] En zij, die niet leugenachtig getuigen en als zi; iets ijdels voorbijgaan, er edelmoedig aan voorbijgaan. | وَالَّذِينَ لاَ يَشْهَدُونَ الزُّورَ وَإِذَا مَرُّوا بِاللَّغْوِ مَرُّوا كِرَاما ً |
Wa Al-Ladhīna 'Idhā Dhukkirū Bi'āyāti Rabbihim Lam Yakhirrū `Alayhā Şummāan Wa `Umyānāan  | [25.73] En zij, die, wanneer zij door tekenen van hun Heer gewaarschuwd worden, daarbij niet doof en blind nedervallen. | وَالَّذِينَ إِذَا ذُكِّرُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ لَمْ يَخِرُّوا عَلَيْهَا صُمّا ً وَعُمْيَانا ً |
Wa Al-Ladhīna Yaqūlūna Rabbanā Hab Lanā Min 'Azwājinā Wa Dhurrīyātinā Qurrata 'A`yunin Wa Aj`alnā Lilmuttaqīna 'Imāmāan  | [25.74] En zij die zeggen: "Onze Heer, maak onze echtgenoten en kinderen tot troost der ogen, en maak ons tot voorbeeld voor de godvruchtigen." | وَالَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا هَبْ لَنَا مِنْ أَزْوَاجِنَا وَذُرِّيَّاتِنَا قُرَّةَ أَعْيُن ٍ وَاجْعَلْنَا لِلْمُتَّقِينَ إِمَاما ً |
'Ūlā'ika Yujzawna Al-Ghurfata Bimā Şabarū Wa Yulaqqawna Fīhā Taĥīyatan Wa Salāmāan  | [25.75] Dit zijn diegenen die beloond zullen worden met de hoogste plaats (in het paradijs) - omdat zij standvastig waren - waar zij zullen worden ontvangen met begroeting en vrede. | أُوْلَائِكَ يُجْزَوْنَ الْغُرْفَةَ بِمَا صَبَرُوا وَيُلَقَّوْنَ فِيهَا تَحِيَّة ً وَسَلاَما ً |
Khālidīna Fīhā Ĥasunat Mustaqarrāan Wa Muqāmāan  | [25.76] Daarin zullen zij verblijven; uitstekend is dit als verblijf en als rustplaats. | خَالِدِينَ فِيهَا حَسُنَتْ مُسْتَقَرّا ً وَمُقَاما ً |
Qul Mā Ya`ba'u Bikum Rabbī Lawlā Du`ā'uukum Faqad Kadhdhabtum Fasawfa Yakūnu Lizāmāan  | [25.77] Zeg: "Mijn Heer zou niets om U geven als gij niet bidt. Gij hebt de waarheid verloochend en weldra zal de straf (u) worden opgelegd." | قُلْ مَا يَعْبَأُ بِكُمْ رَبِّي لَوْلاَ دُعَاؤُكُمْ فَقَدْ كَذَّبْتُمْ فَسَوْفَ يَكُونُ لِزَاما ً |