22) Sūrat Al-Ĥaj

Printed format

22) سُورَة الحَج

Yā 'Ayyuhā An-Nāsu Attaqū Rabbakum 'Inna Zalzalata As-Sā`ati Shay'un `Ažīmun [22.1] O volk, vrees uw Heer, want de schok van het Uur is een verschrikkelijk iets. يَاأَيُّهَا النَّاسُ اتَّقُوا رَبَّكُمْ إِنَّ زَلْزَلَةَ السَّاعَةِ شَيْءٌ عَظِيم ٌ
Yawma Tarawnahā Tadh/halu Kullu Murđi`atin `Ammā 'Arđa`at Wa Tađa`u Kullu Dhāti Ĥamlin Ĥamlahā Wa Tará An-Nāsa Sukārá Wa Mā Hum Bisukārá Wa Lakinna `Adhāba Allāhi Shadīdun [22.2] De Dag waarop elke zogende vrouw haar zuigeling zal vergeten en elke zwangere vrouw zich zal ontdoen van haar dracht; en gij zult mensen bedwelmd zien, terwijl zij niet dronken zijn, doch de kastijding van uw Heer is gestreng. يَوْمَ تَرَوْنَهَا تَذْهَلُ كُلُّ مُرْضِعَةٍ عَمَّا أَرْضَعَتْ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمْلٍ حَمْلَهَا وَتَرَى النَّاسَ سُكَارَى وَمَا هُمْ بِسُكَارَى وَلَكِنَّ عَذَابَ اللَّهِ شَدِيد ٌ
Wa Mina An-Nāsi Man Yujādilu Fī Allāhi Bighayri `Ilmin Wa Yattabi`u Kulla Shayţānin Marīdin [22.3] En onder de mensen zijn er sommigen, die over Allah redetwisten zonder kennis en elke opstandige Satan volgen. وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يُجَادِلُ فِي اللَّهِ بِغَيْرِ عِلْم ٍ وَيَتَّبِعُ كُلَّ شَيْطَان ٍ مَرِيد ٍ
Kutiba `Alayhi 'Annahu Man Tawallāhu Fa'annahu Yuđilluhu Wa Yahdīhi 'Ilá `Adhābi As-Sa`īri [22.4] Voor ieder die hem tot vriend neemt is verordend, dat hij hem zal verleiden en naar de straf van het Vuur voeren. كُتِبَ عَلَيْهِ أَنَّه ُُ مَنْ تَوَلاَّه ُُ فَأَنَّه ُُ يُضِلُّه ُُ وَيَهْدِيهِ~ِ إِلَى عَذَابِ السَّعِيرِ
Yā 'Ayyuhā An-Nāsu 'In Kuntum Fī Raybin Mina Al-Ba`thi Fa'innā Khalaqnākum Min Turābin Thumma Min Nuţfatin Thumma Min `Alaqatin Thumma Min Muđghatin Mukhallaqatin Wa Ghayri Mukhallaqatin Linubayyina Lakum Wa Nuqirru Fī Al-'Arĥāmi Mā Nashā'u 'Ilá 'Ajalin Musammáan Thumma Nukhrijukum Ţiflāan Thumma Litablughū 'Ashuddakum Wa Minkum Man Yutawaffá Wa Minkum Man Yuraddu 'Ilá 'Ardhali Al-`Umuri Likaylā Ya`lama Min Ba`di `Ilmin Shay'āan Wa Tará Al-'Arđa Hāmidatan Fa'idhā 'Anzalnā `Alayhā Al-Mā'a Ahtazzat Wa Rabat Wa 'Anbatat Min Kulli Zawjin Bahījin [22.5] O mensen, indien gij in twijfel verkeert over de Opstanding, bedenkt, dat Wij u hebben geschapen uit stof, daarna uit een levenskiem, dan van een klonter bloed, daarna uit een klomp vlees, volkomen en onvolkomen in maaksel, opdat Wij het u duidelijk maken. En Wij laten wat Ons behaagt gedurende een vastgestelde tijd in de baarmoeder blijven, dan brengen Wij u als zuigelingen voort, dan (doen Wij u opgroeien) zodat gij volwassen wordt. En daar zijn er onder u die door de dood worden achterhaald en anderen die zulk een hoge ouderdom bereiken, dat zij, na geweten te hebben, niets meer weten. En gij ziet de aarde levenloos, doch wanneer Wij er regen op doen nederdalen, beweegt zij zich, zwelt op en brengt iedere mooie soort planten voort. يَاأَيُّهَا النَّاسُ إِنْ كُنْتُمْ فِي رَيْب ٍ مِنَ الْبَعْثِ فَإِنَّا خَلَقْنَاكُمْ مِنْ تُرَاب ٍ ثُمَّ مِنْ نُطْفَة ٍ ثُمَّ مِنْ عَلَقَة ٍ ثُمَّ مِنْ مُضْغَة ٍ مُخَلَّقَة ٍ وَغَيْرِ مُخَلَّقَة ٍ لِنُبَيِّنَ لَكُمْ وَنُقِرُّ فِي الأَرْحَامِ مَا نَشَاءُ إِلَى أَجَل ٍ مُسَمّى ً ثُمَّ نُخْرِجُكُمْ طِفْلا ً ثُمَّ لِتَبْلُغُوا أَشُدَّكُمْ وَمِنْكُمْ مَنْ يُتَوَفَّى وَمِنْكُمْ مَنْ يُرَدُّ إِلَى أَرْذَلِ الْعُمُرِ لِكَيْلاَ يَعْلَمَ مِنْ بَعْدِ عِلْم ٍ شَيْئا ً وَتَرَى الأَرْضَ هَامِدَة ً فَإِذَا أَنزَلْنَا عَلَيْهَا الْمَاءَ اهْتَزَّتْ وَرَبَتْ وَأَنْبَتَتْ مِنْ كُلِّ زَوْج ٍ بَهِيج ٍ
Dhālika Bi'anna Allāha Huwa Al-Ĥaqqu Wa 'Annahu Yuĥyī Al-Mawtá Wa 'Annahu `Alá Kulli Shay'in Qadīrun [22.6] Dit is zo omdat Allah de Waarheid is en omdat Hij het is Die de doden tot leven wekt en omdat Hij over alle dingen macht heeft. ذَلِكَ بِأَنَّ اللَّهَ هُوَ الْحَقُّ وَأَنَّه ُُ يُحْيِي الْمَوْتَى وَأَنَّه ُُ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ قَدِير ٌ
Wa 'Anna As-Sā`ata 'Ātiyatun Lā Rayba Fīhā Wa 'Anna Allāha Yab`athu Man Al-Qubūri [22.7] Voorzeker het Uur nadert, daaraan is geen twijfel; Allah zal al degenen die in de graven zijn, opwekken. وَأَنَّ السَّاعَةَ آتِيَة ٌ لاَ رَيْبَ فِيهَا وَأَنَّ اللَّهَ يَبْعَثُ مَنْ فِي الْقُبُورِ
Wa Mina An-Nāsi Man Yujādilu Fī Allāhi Bighayri `Ilmin Wa Lā Hudáan Wa Lā Kitābin Munīrin [22.8] En onder de mensen zijn er die over Allah redetwisten zonder kennis, richtsnoer of verlichtend Boek. وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يُجَادِلُ فِي اللَّهِ بِغَيْرِ عِلْم ٍ وَلاَ هُدى ً وَلاَ كِتَاب ٍ مُنِير ٍ
Thāniya `Iţfihi Liyuđilla `An Sabīli Allāhi Lahu Fī Ad-DunKhizyun Wa Nudhīquhu Yawma Al-Qiyāmati `Adhāba Al-Ĥarīqi [22.9] Zich hooghartig afkerend ten einde anderen af te leiden van Allah's weg. Voor hem is er schande in deze wereld en op de Dag der Verrijzenis zullen Wij hem de straf van het branden doen ondergaan. ثَانِيَ عِطْفِه ِِ لِيُضِلَّ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ لَه ُُ فِي الدُّنْيَا خِزْي ٌ وَنُذِيقُه ُُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ عَذَابَ الْحَرِيقِ
Dhālika Bimā Qaddamat Yadāka Wa 'Anna Allāha Laysa Bižallāmin Lil`abīdi [22.10] "Dit is wegens hetgeen uw handen hebben vooruit gezonden; want Allah is niet onrechtvaardig jegens Zijn dienaren." ذَلِكَ بِمَا قَدَّمَتْ يَدَاكَ وَأَنَّ اللَّهَ لَيْسَ بِظَلاَّم ٍ لِلْعَبِيدِ
Wa Mina An-Nāsi Man Ya`budu Allāha `Alá Ĥarfin Fa'in 'Aşābahu Khayrun Aţma'anna Bihi Wa 'In 'Aşābat/hu Fitnatun Anqalaba `Alá Wajhihi Khasira Ad-Dunyā Wa Al-'Ākhirata Dhālika Huwa Al-Khusrānu Al-Mubīnu [22.11] En onder de mensen zijn er die Allah weifelend aanbidden. Indien het hun wel gaat, zijn zij daarmede tevreden, maar indien zo iemand een beproeving ten deel valt, keert hij terug tot zijn vroegere wandel. Hij verliest deze wereld zowel als het Hiernamaals. Dat is een duidelijk verlies. وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَعْبُدُ اللَّهَ عَلَى حَرْف ٍ فَإِنْ أَصَابَه ُُ خَيْر ٌ اطْمَأَنَّ بِه ِِ وَإِنْ أَصَابَتْهُ فِتْنَة ٌ انقَلَبَ عَلَى وَجْهِه ِِ خَسِرَ الدُّنْيَا وَالآخِرَةَ ذَلِكَ هُوَ الْخُسْرَانُ الْمُبِينُ
Yad`ū Min Dūni Allāhi Mā Lā Yađurruhu Wa Mā Lā Yanfa`uhu Dhālika Huwa Ađ-Đalālu Al-Ba`īdu [22.12] Hij roept naast Allah datgene aan, wat hem schaden noch baten kan. Dat is een vergaande dwaling. يَدْعُوا مِنْ دُونِ اللَّهِ مَا لاَ يَضُرُّه ُُ وَمَا لاَ يَنْفَعُه ُُ ذَلِكَ هُوَ الضَّلاَلُ الْبَعِيدُ
Yad`ū Laman Đarruhu 'Aqrabu Min Naf`ihi Labi'sa Al-Mawlá Wa Labi'sa Al-`Ashīru [22.13] Hij roept degene aan, die eerder schaadt dan baat. Voorwaar slecht is de beschermer en waarlijk slecht de metgezel. يَدْعُوا لَمَنْ ضَرُّهُ~ُ أَقْرَبُ مِنْ نَفْعِه ِِ لَبِئْسَ الْمَوْلَى وَلَبِئْسَ الْعَشِيرُ
'Inna Allāha Yudkhilu Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Jannātin Tajrī Min Taĥtihā Al-'Anhāru 'Inna Allāha Yaf`alu Mā Yurīdu [22.14] Voorwaar, Allah zal hen die geloven en goede werken verrichten, tuinen doen binnengaan waardoor rivieren stromen; Allah doet wat Hem behaagt. إِنَّ اللَّهَ يُدْخِلُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جَنَّات ٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأَنْهَارُ إِنَّ اللَّهَ يَفْعَلُ مَا يُرِيدُ
Man Kāna Yažunnu 'An Lan Yanşurahu Allāhu Fī Ad-Dunyā Wa Al-'Ākhirati Falyamdud Bisababin 'Ilá As-Samā'i Thumma Liyaqţa` Falyanžur Hal Yudh/hibanna Kayduhu Mā Yaghīžu [22.15] Laat hij die denkt dat Allah hem (de profeet) in deze wereld of in het Hiernamaals niet zal helpen, op de een of andere wijze ten hemel gaan en (Gods hulp) tegenhouden; laat hem dan zien of zijn plan datgene verwijderen kan, wat zijn toorn opwekt. مَنْ كَانَ يَظُنُّ أَنْ لَنْ يَنصُرَهُ اللَّهُ فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ فَلْيَمْدُدْ بِسَبَب ٍ إِلَى السَّمَاءِ ثُمَّ لِيَقْطَعْ فَلْيَنظُرْ هَلْ يُذْهِبَنَّ كَيْدُه ُُ مَا يَغِيظُ
Wa Kadhalika 'Anzalnāhu 'Āyātin Bayyinātin Wa 'Anna Allāha Yahdī Man Yurīdu [22.16] En aldus hebben Wij hem duidelijke tekenen gezonden, en Allah zal voorzeker leiden wie Hij wil. وَكَذَلِكَ أَنزَلْنَاهُ آيَات ٍ بَيِّنَات ٍ وَأَنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَنْ يُرِيدُ
'Inna Al-Ladhīna 'Āmanū Wa Al-Ladhīna Hādū Wa Aş-Şābi'īna Wa An-Naşārá Wa Al-Majūsa Wa Al-Ladhīna 'Ashrakū 'Inna Allāha Yafşilu Baynahum Yawma Al-Qiyāmati 'Inna Allāha `Alá Kulli Shay'in Shahīdun [22.17] Voorzeker de gelovigen, de Joden, de Sabianen, de Christenen, de Magiërs en de afgodendienaren, Allah zal tussen hen richten op de Dag der Opstanding, want Allah is Getuige over alle dingen. إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَادُوا وَالصَّابِئِينَ وَالنَّصَارَى وَالْمَجُوسَ وَالَّذِينَ أَشْرَكُوا إِنَّ اللَّهَ يَفْصِلُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ إِنَّ اللَّهَ عَلَى كُلِّ شَيْء ٍ شَهِيد ٌ
'Alam Tará 'Anna Allāha Yasjudu Lahu Man As-Samāwāti Wa Man Al-'Arđi Wa Ash-Shamsu Wa Al-Qamaru Wa An-Nujūmu Wa Al-Jibālu Wa Ash-Shajaru Wa Ad-Dawābbu Wa Kathīrun Mina An-Nāsi Wa Kathīrun Ĥaqqa `Alayhi Al-`Adhābu Wa Man Yuhini Allāhu Famā Lahu Min Mukrimin 'Inna Allāha Yaf`alu Mā Yashā'u [22.18] Hebt gij dan niet gezien dat alles zich voor Allah nederwerpt, wat in de hemelen en op aarde is, de zon, de maan, de sterren, de bergen, de bomen, het vee en een groot deel der mensen; maar toch valt nog velen de kastijding ten deel. En die Allah vernedert, kan niemand verheffen. Voorwaar, Allah doet wat Hij wil. أَلَمْ تَرَى أَنَّ اللَّهَ يَسْجُدُ لَه ُُ مَنْ فِي السَّمَاوَاتِ وَمَنْ فِي الأَرْضِ وَالشَّمْسُ وَالْقَمَرُ وَالنُّجُومُ وَالْجِبَالُ وَالشَّجَرُ وَالدَّوَابُّ وَكَثِير ٌ مِنَ النَّاسِ وَكَثِيرٌ حَقَّ عَلَيْهِ الْعَذَابُ وَمَنْ يُهِنِ اللَّهُ فَمَا لَه ُُ مِنْ مُكْرِم ٍ إِنَّ اللَّهَ يَفْعَلُ مَا يَشَاءُ
Hadhāni Khaşmāni Akhtaşamū Fī Rabbihim Fa-Al-Ladhīna Kafarū Quţţi`at Lahum Thiyābun Min Nārin Yuşabbu Min Fawqi Ru'ūsihimu Al-Ĥamīmu [22.19] Hier zijn twee tegenstanders die redetwisten over hun Heer. Voor de ongelovigen zullen gewaden van Vuur worden gesneden en over hun hoofd zal kokend water worden uitgegoten. هَذَانِ خَصْمَانِ اخْتَصَمُوا فِي رَبِّهِمْ فَالَّذِينَ كَفَرُوا قُطِّعَتْ لَهُمْ ثِيَاب ٌ مِنْ نَار ٍ يُصَبُّ مِنْ فَوْقِ رُءُوسِهِمُ الْحَمِيمُ
Yuşharu Bihi Mā Fī Buţūnihim Wa Al-Julūdu [22.20] Waardoor hun ingewanden alsmede hun huiden zullen worden verteerd. يُصْهَرُ بِه ِِ مَا فِي بُطُونِهِمْ وَالْجُلُودُ
Wa Lahum Maqāmi`u Min Ĥadīdin [22.21] En hen zullen ijzeren roeden wachten. وَلَهُمْ مَقَامِعُ مِنْ حَدِيد ٍ
Kullamā 'Arādū 'An Yakhrujū Minhā Min Ghammin 'U`īdū Fīhā Wa Dhūqū `Adhāba Al-Ĥarīqi [22.22] Telkens wanneer zij er uit (uit de hel) wensen te gaan, zullen zij er in terug worden gedreven; men zal zeggen: "Proeft gij de straf van het branden?" كُلَّمَا أَرَادُوا أَنْ يَخْرُجُوا مِنْهَا مِنْ غَمٍّ أُعِيدُوا فِيهَا وَذُوقُوا عَذَابَ الْحَرِيقِ
'Inna Allāha Yudkhilu Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Jannātin Tajrī Min Taĥtihā Al-'Anhāru Yuĥallawna Fīhā Min 'Asāwira Min Dhahabin Wa Lu'ulu'uāan Wa Libāsuhum Fīhā Ĥarīrun [22.23] Doch Allah zal degenen die geloven en goede werken verrichten tuinen doen binnentreden waardoor rivieren stromen. Zij zullen daarin worden getooid met armbanden van goud en parels, en hun gewaden zullen van zijde zijn. إِنَّ اللَّهَ يُدْخِلُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جَنَّات ٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأَنْهَارُ يُحَلَّوْنَ فِيهَا مِنْ أَسَاوِرَ مِنْ ذَهَب ٍ وَلُؤْلُؤا ً وَلِبَاسُهُمْ فِيهَا حَرِير ٌ
Wa Hudū 'Ilá Aţ-Ţayyibi Mina Al-Qawli Wa Hudū 'Ilá Şirāţi Al-Ĥamīdi [22.24] En zij zullen naar het reine woord en het pad van de Geprezene worden geleid. وَهُدُوا إِلَى الطَّيِّبِ مِنَ الْقَوْلِ وَهُدُوا إِلَى صِرَاطِ الْحَمِيدِ
'Inna Al-Ladhīna Kafarū Wa Yaşuddūna `An Sabīli Allāhi Wa Al-Masjidi Al-Ĥarāmi Al-Ladhī Ja`alnāhu Lilnnāsi Sawā'an Al-`Ākifu Fīhi Wa Al-Bādi Wa Man Yurid Fīhi Bi'ilĥādin Bižulmin Nudhiqhu Min `Adhābin 'Alīmin [22.25] Voorzeker degenen die niet geloven en mensen afhouden van de weg van Allah en van de Heilige Moskee (te Mekka) - die Wij gelijk voor alle mensen hebben aangewezen, hetzij degene die er in (de stad) vertoeft of (de vreemdeling) die van buiten komt - en hij die in de Moskee onrechtvaardig naar goddeloosheid streeft - hem zullen Wij een pijnlijke straf doen ondergaan. إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا وَيَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ وَالْمَسْجِدِ الْحَرَامِ الَّذِي جَعَلْنَاه ُُ لِلنَّاسِ سَوَاء ً الْعَاكِفُ فِيه ِِ وَالْبَادِ وَمَنْ يُرِدْ فِيه ِِ بِإِلْحَاد ٍ بِظُلْم ٍ نُذِقْهُ مِنْ عَذَابٍ أَلِيم ٍ
Wa 'Idh Bawwa'nā Li'ibrāhīma Makāna Al-Bayti 'An Lā Tushrik Bī Shay'āan Wa Ţahhir Baytiya Lilţţā'ifīna Wa Al-Qā'imīna Wa Ar-Rukka`i As-Sujūdi [22.26] En toen Wij Abraham de plaats voor het Huis (de Kaaba) aanwezen zeggende: "Vereenzelvig niets met Mij, en houd Mijn Huis rein voor degenen die de rondgang verrichten en degenen die opstaan (voor gebed) en neerbuigen en zich ter aarde werpen. وَإِذْ بَوَّأْنَا لِإبْرَاهِيمَ مَكَانَ الْبَيْتِ أَنْ لاَ تُشْرِكْ بِي شَيْئا ً وَطَهِّرْ بَيْتِيَ لِلطَّائِفِينَ وَالْقَائِمِينَ وَالرُّكَّعِ السُّجُودِ
Wa 'Adhdhin An-Nāsi Bil-Ĥajji Ya'tūka Rijālāan Wa `Alá Kulli Đāmirin Ya'tīna Min Kulli Fajjin `Amīqin [22.27] En verkondig de bedevaart aan de mensen. Zij zullen te voet of op magere kamelen van verre tot u komen. وَأَذِّنْ فِي النَّاسِ بِالْحَجِّ يَأْتُوكَ رِجَالا ً وَعَلَى كُلِّ ضَامِر ٍ يَأْتِينَ مِنْ كُلِّ فَجٍّ عَمِيق ٍ
Liyash/hadū Manāfi`a Lahum Wa Yadhkurū Asma Allāhi Fī 'Ayyāmin Ma`lūmātin `Alá Mā Razaqahum Min Bahīmati Al-'An`ām Fakulū Minhā Wa 'Aţ`imū Al-Bā'isa Al-Faqīra [22.28] Opdat zij van hun voordeel getuigenis afleggen en de naam van Allah uitspreken gedurende de vastgestelde dagen over het vee waarvan Hij hen heeft voorzien. Eet dan daarvan en spijzigt de behoeftigen in nood. لِيَشْهَدُوا مَنَافِعَ لَهُمْ وَيَذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ فِي أَيَّام ٍ مَعْلُومَاتٍ عَلَى مَا رَزَقَهُمْ مِنْ بَهِيمَةِ الأَنعَام فَكُلُوا مِنْهَا وَأَطْعِمُوا الْبَائِسَ الْفَقِيرَ
Thumma Liyaqđū Tafathahum Wa Līūfū Nudhūrahum Wa Līaţţawwafū Bil-Bayti Al-`Atīqi [22.29] Laat hen dan hun vuilheid verwijderen en hun geloften vervullen en een omgang maken om het oude Huis (Kaaba)." ثُمَّ لِيَقْضُوا تَفَثَهُمْ وَلْيُوفُوا نُذُورَهُمْ وَلْيَطَّوَّفُوا بِالْبَيْتِ الْعَتِيقِ
Dhālika Wa Man Yu`ažžim Ĥurumāti Allāhi Fahuwa Khayrun Lahu `Inda Rabbihi Wa 'Uĥillat Lakumu Al-'An`ām 'Illā Mā Yutlá `Alaykumjtanibū Ar-Rijsa Mina Al-'Awthāni Wa Ajtanibū Qawla Az-Zūri [22.30] Zo zij het. Wie dus de heilige geboden van Allah eert, het zal voor hem goed zijn in de ogen van zijn Heer. En wettig voor u is alle vee behalve hetgeen u anderszins is verkondigd. Vermijdt derhalve de onreinheid der afgodsbeelden en vermijdt het valse woord. ذَلِكَ وَمَنْ يُعَظِّمْ حُرُمَاتِ اللَّهِ فَهُوَ خَيْر ٌ لَه ُُ عِنْدَ رَبِّه ِِ وَأُحِلَّتْ لَكُمُ الأَنعَام إِلاَّ مَا يُتْلَى عَلَيْكُمْ فَاجْتَنِبُوا الرِّجْسَ مِنَ الأَوْثَانِ وَاجْتَنِبُوا قَوْلَ الزُّورِ
Ĥunafā'a Lillāhi Ghayra Mushrikīna Bihi Wa Man Yushrik Billāhi Faka'annamā Kharra Mina As-Samā'i Fatakhţafuhu Aţ-Ţayru 'Aw Tahwī Bihi Ar-Rīĥu Fī Makānin Saĥīqin [22.31] Oprecht zijnde voor Allah, niets met Hem vereenzelvigende. En wie iets met Allah vereenzelvigt, het is alsof hij van een hoogte valt en de vogels hem wegrukken of de wind hem wegblaast naar een afgelegen plaats. حُنَفَاءَ لِلَّهِ غَيْرَ مُشْرِكِينَ بِه ِِ وَمَنْ يُشْرِكْ بِاللَّهِ فَكَأَنَّمَا خَرَّ مِنَ السَّمَاءِ فَتَخْطَفُهُ الطَّيْرُ أَوْ تَهْوِي بِهِ الرِّيحُ فِي مَكَان ٍ سَحِيق ٍ
Dhālika Wa Man Yu`ažžim Sha`ā'ira Allāhi Fa'innahā Min Taq Al-Qulūbi [22.32] Zo zij het. En wie de heilige tekenen van Allah vereert, voorwaar, dat is de oprechtheid des harten. ذَلِكَ وَمَنْ يُعَظِّمْ شَعَائِرَ اللَّهِ فَإِنَّهَا مِنْ تَقْوَى الْقُلُوبِ
Lakum Fīhā Manāfi`u 'Ilá 'Ajalin Musammáan Thumma Maĥilluhā 'Ilá Al-Bayti Al-`Atīqi [22.33] Daar is in de offeranden een profijt voor u voor een vastgestelde tijd, daarna is hun plaats bij het oude Huis. لَكُمْ فِيهَا مَنَافِعُ إِلَى أَجَل ٍ مُسَمّى ً ثُمَّ مَحِلُّهَا إِلَى الْبَيْتِ الْعَتِيقِ
Wa Likulli 'Ummatin Ja`alnā Mansakāan Liyadhkurū Asma Allāhi `Alá Mā Razaqahum Min Bahīmati Al-'An`āmi Fa'ilahukum 'Ilahun Wāĥidun Falahu 'Aslimū Wa Bashshiri Al-Mukhbitīna [22.34] En voor elk volk hebben Wij handelingen van offer en wijdingen vastgesteld, opdat zij de naam van Allah mogen uitspreken over het vee dat Hij hun heeft gegeven. Uw God is dus Eén God, weest daarom onderdanig aan Hem. En geef blijde tijding aan de ootmoedigen. وَلِكُلِّ أُمَّة ٍ جَعَلْنَا مَنْسَكا ً لِيَذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ عَلَى مَا رَزَقَهُمْ مِنْ بَهِيمَةِ الأَنعَامِ فَإِلَهُكُمْ إِلَه ٌ ٌ وَاحِد ٌ فَلَهُ~ُ أَسْلِمُوا وَبَشِّرِ الْمُخْبِتِينَ
Al-Ladhīna 'Idhā Dhukira Allāhu Wajilat Qulūbuhum Wa Aş-Şābirīna `Alá Mā 'Aşābahum Wa Al-Muqīmī Aş-Şalāati Wa Mimmā Razaqnāhum Yunfiqūna [22.35] Wier harten vervuld zijn van vrees wanneer Allah's naam wordt genoemd, en die geduldig dragen al hetgeen hun overkomt, die het gebed onderhouden, en geven van hetgeen Wij hun hebben toebedeeld. الَّذِينَ إِذَا ذُكِرَ اللَّهُ وَجِلَتْ قُلُوبُهُمْ وَالصَّابِرِينَ عَلَى مَا أَصَابَهُمْ وَالْمُقِيمِي الصَّلاَةِ وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنْفِقُونَ
Wa Al-Budna Ja`alnāhā Lakum Min Sha`ā'iri Allāhi Lakum Fīhā Khayrundhkurū Asma Allāhi `Alayhā Şawāffa Fa'idhā Wajabat Junūbuhā Fakulū Minhā Wa 'Aţ`imū Al-Qāni`a Wa Al-Mu`tarra Kadhālika Sakhkharnāhā Lakum La`allakum Tashkurūna [22.36] En onder de heilige tekenen van Allah hebben Wij voor u de offerkamelen aangewezen. In hen is er veel voordeel voor u. Spreekt daarom de naam van Allah over hen uit terwijl zij in rijen staan opgesteld. En wanneer ze op hun zij neervallen, eet er van en voedt de rijken en de armen. Aldus hebben Wij hen aan u dienstbaar gemaakt, opdat gij dankbaar moogt zijn. وَالْبُدْنَ جَعَلْنَاهَا لَكُمْ مِنْ شَعَائِرِ اللَّهِ لَكُمْ فِيهَا خَيْر ٌ فَاذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ عَلَيْهَا صَوَافَّ فَإِذَا وَجَبَتْ جُنُوبُهَا فَكُلُوا مِنْهَا وَأَطْعِمُوا الْقَانِعَ وَالْمُعْتَرَّ كَذَلِكَ سَخَّرْنَاهَا لَكُمْ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ
Lan Yanāla Allāha Luĥūmuhā Wa Lā Dimā'uuhā Wa Lakin Yanāluhu At-Taqwá Minkum Kadhālika Sakhkharahā Lakum Litukabbirū Allāha `Alá Mā Hadākum Wa Bashshiri Al-Muĥsinīna [22.37] Hun vlees noch hun bloed bereikt Allah, doch uw godsvrucht bereikt Hem. Aldus heeft Hij hen aan u dienstbaar gemaakt, opdat gij Allah moogt verheerlijken wegens hetgeen waartoe Hij u heeft geleid. En geef blijde tijding aan de goeden. لَنْ يَنَالَ اللَّهَ لُحُومُهَا وَلاَ دِمَاؤُهَا وَلَكِنْ يَنَالُهُ التَّقْوَى مِنْكُمْ كَذَلِكَ سَخَّرَهَا لَكُمْ لِتُكَبِّرُوا اللَّهَ عَلَى مَا هَدَاكُمْ وَبَشِّرِ الْمُحْسِنِينَ
'Inna Allāha Yudāfi`u `Ani Al-Ladhīna 'Āmanū 'Inna Allāha Lā Yuĥibbu Kulla Khawwānin Kafūrin [22.38] Voorwaar, Allah verdedigt de gelovigen. Voorzeker, Allah heeft niemand lief die oneerlijk, ondankbaar is. إِنَّ اللَّهَ يُدَافِعُ عَنِ الَّذِينَ آمَنُوا إِنَّ اللَّهَ لاَ يُحِبُّ كُلَّ خَوَّان ٍ كَفُور ٍ
'Udhina Lilladhīna Yuqātalūna Bi'annahum Žulimū Wa 'Inna Allāha `Alá Naşrihim Laqadīrun [22.39] Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen tegen wie gevochten wordt, omdat hun onrecht is aangedaan, voorzeker Allah heeft de macht hen bij te staan. أُذِنَ لِلَّذِينَ يُقَاتَلُونَ بِأَنَّهُمْ ظُلِمُوا وَإِنَّ اللَّهَ عَلَى نَصْرِهِمْ لَقَدِير ٌ
Al-Ladhīna 'Ukhrijū Min Diyārihim Bighayri Ĥaqqin 'Illā 'An Yaqūlū Rabbunā Allāhu Wa Lawlā Daf`u Allāhi An-Nāsa Ba`đahum Biba`đin Lahuddimat Şawāmi`u Wa Biya`un Wa Şalawātun Wa Masājidu Yudhkaru Fīhā Asmu Allāhi Kathīrāan Wa Layanşuranna Allāhu Man Yanşuruhu 'Inna Allāha Laqawīyun `Azīzun [22.40] Degenen die ten onrechte uit hun huizen werden verdreven alleen omdat zij zeiden: "Onze Heer is Allah." - En indien Allah sommige mensen niet met behulp van anderen tegenhield, zouden ongetwijfeld kloosters, kerken, synagogen en moskeeën, waarin dikwijls de naam van Allah wordt herdacht, afgebroken zijn. Allah zal ongetwijfeld degene ondersteunen die Hem helpt - Allah is inderdaad Sterk, Almachtig. الَّذِينَ أُخْرِجُوا مِنْ دِيَارِهِمْ بِغَيْرِ حَقّ ٍ إِلاَّ أَنْ يَقُولُوا رَبُّنَا اللَّهُ وَلَوْلاَ دَفْعُ اللَّهِ النَّاسَ بَعْضَهُمْ بِبَعْض ٍ لَهُدِّمَتْ صَوَامِعُ وَبِيَع ٌ وَصَلَوَات ٌ وَمَسَاجِدُ يُذْكَرُ فِيهَا اسْمُ اللَّهِ كَثِيرا ً وَلَيَنصُرَنَّ اللَّهُ مَنْ يَنصُرُهُ~ُ إِنَّ اللَّهَ لَقَوِيٌّ عَزِيز ٌ
Al-Ladhīna 'In Makkannāhum Al-'Arđi 'Aqāmū Aş-Şalāata Wa 'Ātaw Az-Zakāata Wa 'Amarū Bil-Ma`rūfi Wa Nahaw `Ani Al-Munkari Wa Lillahi `Āqibatu Al-'Umūri [22.41] Degenen die, indien Wij hen op aarde vestigen, het gebed verrichten en de Zakaat betalen en het goede bevelen en het kwade verbieden. En het eindbesluit in alles berust bij Allah. الَّذِينَ إِنْ مَكَّنَّاهُمْ فِي الأَرْضِ أَقَامُوا الصَّلاَةَ وَآتَوْا الزَّكَاةَ وَأَمَرُوا بِالْمَعْرُوفِ وَنَهَوْا عَنِ الْمُنْكَرِ وَلِلَّهِ عَاقِبَةُ الأُمُورِ
Wa 'In Yukadhdhibūka Faqad Kadhdhabat Qablahum Qawmu Nūĥin Wa `Ādun Wa Thamūdu [22.42] Indien zij u (Mohammed) verloochenen, vََr hen heeft het volk van Noach en Aad en Samoed ook verloochend; وَإِنْ يُكَذِّبُوكَ فَقَدْ كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوح ٍ وَعَاد ٌ وَثَمُودُ
Wa Qawmu 'Ibrāhīma Wa Qawmu Lūţin [22.43] En het volk van Abraham en het volk van Lot; وَقَوْمُ إِبْرَاهِيمَ وَقَوْمُ لُوط ٍ
Wa 'Aşĥābu Madyana Wa Kudhdhiba Mūsá Fa'amlaytu Lilkāfirīna Thumma 'Akhadhtuhum Fakayfa Kāna Nakīri [22.44] En de inwoners van Midian eveneens. En Mozes werd ook verloochend. Maar Ik schonk de ongelovigen uitstel, daarna greep Ik hen, en hoe (groot) was toen Mijn afkeer! وَأَصْحَابُ مَدْيَنَ وَكُذِّبَ مُوسَى فَأَمْلَيْتُ لِلْكَافِرِينَ ثُمَّ أَخَذْتُهُمْ فَكَيْفَ كَانَ نَكِيرِ
Faka'ayyin Min Qaryatin 'Ahlaknāhā Wa Hiya Žālimatun Fahiya Khāwiyatun `Alá `Urūshihā Wa Bi'rin Mu`aţţalatin Wa Qaşrin Mashīdin [22.45] Hoe menige stad hebben Wij verdelgd, terwijl deze vol ongerechtigheid was, zodat de daken er van zijn ingestort en hoe menige bron en opgetrokken paleis werd verlaten. فَكَأَيِّنْ مِنْ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا وَهِيَ ظَالِمَة ٌ فَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَى عُرُوشِهَا وَبِئْر ٍ مُعَطَّلَة ٍ وَقَصْر ٍ مَشِيد ٍ
'Afalam Yasīrū Fī Al-'Arđi Fatakūna Lahum Qulūbun Ya`qilūna Bihā 'Aw 'Ādhānun Yasma`ūna Bihā Fa'innahā Lā Ta`má Al-'Abşāru Wa Lakin Ta`má Al-Qulūbu Allatī Fī Aş-Şudūri [22.46] Hebben zij dan niet in het land gereisd zodat zij hart moesten hebben waarmee zij konden begrijpen en oren om er mee te horen? Voorzeker, het zijn niet de ogen die blind zijn doch het hart in (hun) borst is blind. أَفَلَمْ يَسِيرُوا فِي الأَرْضِ فَتَكُونَ لَهُمْ قُلُوب ٌ يَعْقِلُونَ بِهَا أَوْ آذَان ٌ يَسْمَعُونَ بِهَا فَإِنَّهَا لاَ تَعْمَى الأَبْصَارُ وَلَكِنْ تَعْمَى الْقُلُوبُ الَّتِي فِي الصُّدُورِ
Wa Yasta`jilūnaka Bil-`Adhābi Wa Lan Yukhlifa Allāhu Wa`dahu Wa 'Inna Yawmāan `Inda Rabbika Ka'alfi Sanatin Mimmā Ta`uddūna [22.47] En zij dringen bij u aan de straf te verhaasten, doch Allah zal nimmer Zijn Belofte breken. Voorwaar bij uw Heer is één dag gelijk duizend jaren van uw berekening. وَيَسْتَعْجِلُونَكَ بِالْعَذَابِ وَلَنْ يُخْلِفَ اللَّهُ وَعْدَه ُُ وَإِنَّ يَوْماً عِنْدَ رَبِّكَ كَأَلْفِ سَنَة ٍ مِمَّا تَعُدُّونَ
Wa Ka'ayyin Min Qaryatin 'Amlaytu Lahā Wa Hiya Žālimatun Thumma 'Akhadhtuhā Wa 'Ilayya Al-Maşīru [22.48] Hoe vele steden heb Ik uitstel verleend, hoewel zij vol ongerechtigheden waren. Daarna greep Ik hen en tot Mij is de terugkeer. وَكَأَيِّنْ مِنْ قَرْيَةٍ أَمْلَيْتُ لَهَا وَهِيَ ظَالِمَة ٌ ثُمَّ أَخَذْتُهَا وَإِلَيَّ الْمَصِيرُ
Qul Yā 'Ayyuhā An-Nāsu 'Innamā 'Anā Lakum Nadhīrun Mubīnun [22.49] Zeg: "O mensdom, ik ben slechts een duidelijke waarschuwer voor u." قُلْ يَاأَيُّهَا النَّاسُ إِنَّمَا أَنَا لَكُمْ نَذِير ٌ مُبِين ٌ
Fa-Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Lahum Maghfiratun Wa Rizqun Karīmun [22.50] Degenen, die geloven en goede werken verrichten, voor hen is er vergiffenis en een eerzaam levensonderhoud. فَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ لَهُمْ مَغْفِرَة ٌ وَرِزْق ٌ كَرِيم ٌ
Wa Al-Ladhīna Sa`aw Fī 'Āyātinā Mu`ājizīna 'Ūlā'ika 'Aşĥābu Al-Jaĥīmi [22.51] Doch degenen die trachten Onze woorden krachteloos te maken, zullen de bewoners van het Vuur zijn. وَالَّذِينَ سَعَوْا فِي آيَاتِنَا مُعَاجِزِينَ أُوْلَائِكَ أَصْحَابُ الْجَحِيمِ
Wa Mā 'Arsalnā Min Qablika Min Rasūlin Wa Lā Nabīyin 'Illā 'Idhā Tamanná 'Alqá Ash-Shayţānu Fī 'Umnīyatihi Fayansakhu Allāhu Mā Yulqī Ash-Shayţānu Thumma Yuĥkimu Allāhu 'Āyātihi Wa Allāhu `Alīmun Ĥakīmun [22.52] Nimmer zonden Wij een boodschapper of een profeet vََr u of, wanneer hij (zijn boodschap) verkondigde, kwam de duivel er tussen. Doch Allah doet hetgeen Satan inblaast te niet. Dan bevestigt Allah Zijn woorden en Allah is Alwetend, Alwijs. وَمَا أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ مِنْ رَسُول ٍ وَلاَ نَبِيّ ٍ إِلاَّ إِذَا تَمَنَّى أَلْقَى الشَّيْطَانُ فِي أُمْنِيَّتِه ِِ فَيَنْسَخُ اللَّهُ مَا يُلْقِي الشَّيْطَانُ ثُمَّ يُحْكِمُ اللَّهُ آيَاتِه ِِ وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيم ٌ
Liyaj`ala Mā Yulqī Ash-Shayţānu Fitnatan Lilladhīna Fī Qulūbihim Marađun Wa Al-Qāsiyati Qulūbuhum Wa 'Inna Až-Žālimīna Lafī Shiqāqin Ba`īdin [22.53] Zodat Hij hetgeen Satan inblaast tot een beproeving moge maken voor degenen in wier hart een ziekte is en wier hart verhard is - voorzeker, de onrechtvaardigen zijn in groot verzet - لِيَجْعَلَ مَا يُلْقِي الشَّيْطَانُ فِتْنَة ً لِلَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَض ٌ وَالْقَاسِيَةِ قُلُوبُهُمْ وَإِنَّ الظَّالِمِينَ لَفِي شِقَاق ٍ بَعِيد ٍ
Wa Liya`lama Al-Ladhīna 'Ū Al-`Ilma 'Annahu Al-Ĥaqqu Min Rabbika Fayu'uminū Bihi Fatukhbita Lahu Qulūbuhum Wa 'Inna Allāha Lahādi Al-Ladhīna 'Āmanū 'Ilá Şirāţin Mustaq