23) Sūrat Al-Mu'uminūna

Printed format

23) سُورَة الْمُؤْمِنُونَ

Qad 'Aflaĥa Al-Mu'uminūna [23.1] Inderdaad voorspoedig zijn de gelovigen. قَدْ أَفْلَحَ الْمُؤْمِنُونَ
Al-Ladhīna Hum Fī Şalātihim Khāshi`ūna [23.2] Die ootmoedig zijn in hun gebeden. الَّذِينَ هُمْ فِي صَلاَتِهِمْ خَاشِعُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum `Ani Al-Laghwi Mu`rūna [23.3] En die al hetgeen ijdel is, schuwen. وَالَّذِينَ هُمْ عَنِ اللَّغْوِ مُعْرِضُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum Lilzzakāati Fā`ilūna [23.4] En die aktief zijn in het betalen van Zakaat. وَالَّذِينَ هُمْ لِلزَّكَاةِ فَاعِلُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum Lifurūjihim Ĥāfižūna [23.5] En die hun vleselijke lusten beheersen. وَالَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَافِظُونَ
'Illā `Alá 'Azwājihim 'W Mā Malakat 'Aymānuhum Fa'innahum Ghayru Malūmīna [23.6] Behalve met hun vrouwen of hetgeen hun rechterhand bezit, want dan treft hen geen verwijt. إِلاَّ عَلَى أَزْوَاجِهِمْ أوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَانُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ
Famani Abtaghá Warā'a Dhālika Fa'ūlā'ika Humu Al-`Ādūna [23.7] Doch degenen die deze perken te buiten gaan, zullen overtreders zijn. فَمَنِ ابْتَغَى وَرَاءَ ذَلِكَ فَأُوْلَائِكَ هُمُ الْعَادُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum Li'mānātihim Wa `Ahdihim Rā`ūna [23.8] Zij die zorgzaam zijn voor het hun toevertrouwde en voor hun overeenkomsten. وَالَّذِينَ هُمْ لِأمَانَاتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَاعُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum `Alá Şalawātihim Yuĥāfižūna [23.9] En die hun gebeden in acht nemen. وَالَّذِينَ هُمْ عَلَى صَلَوَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ
'Ūlā'ika Humu Al-Wārithūna [23.10] Dezen zijn de erfgenamen, أُوْلَائِكَ هُمُ الْوَارِثُونَ
Al-Ladhīna Yarithūna Al-Firdawsa Hum Fīhā Khālidūna [23.11] Die het paradijs zullen erven. Zij zullen daarin vertoeven. الَّذِينَ يَرِثُونَ الْفِرْدَوْسَ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
Wa Laqad Khalaq Al-'Insāna Min Sulālatin Min Ţīnin [23.12] Voorwaar, Wij scheppen de mens uit een uittreksel van klei; وَلَقَدْ خَلَقْنَا الإِنسَانَ مِنْ سُلاَلَة ٍ مِنْ طِين ٍ
Thumma Ja`alnāhu Nuţfatan Fī Qarārin Makīnin [23.13] Dan plaatsen Wij hem als een kleine levenskiem in een veilige plaats. ثُمَّ جَعَلْنَاه ُُ نُطْفَة ً فِي قَرَار ٍ مَكِين ٍ
Thumma Khalaq An-Nuţfata `Alaqatan Fakhalaq Al-`Alaqata Muđghatan Fakhalaq Al-Muđghata `Ižāmāan Fakasawnā Al-`Ižāma Laĥmāan Thumma 'Ansha'nāhu Khalqāan 'Ākhara Fatabāraka Allāhu 'Aĥsanu Al-Khāliqīna [23.14] Vervolgens vormen Wij de levenskiem tot een klonter bloed; daarna vormen Wij het geronnen bloed tot een (vormeloze) klomp; dan vormen Wij beenderen uit deze (vormeloze) klomp; daarna bekleden Wij deze beenderen met vlees; vervolgens ontwikkelen Wij het tot een nieuwe schepping. Gezegend zij Allah, de Beste Schepper. ثُمَّ خَلَقْنَا النُّطْفَةَ عَلَقَة ً فَخَلَقْنَا الْعَلَقَةَ مُضْغَة ً فَخَلَقْنَا الْمُضْغَةَ عِظَاما ً فَكَسَوْنَا الْعِظَامَ لَحْما ً ثُمَّ أَنشَأْنَاه ُُ خَلْقا ً آخَرَ فَتَبَارَكَ اللَّهُ أَحْسَنُ الْخَالِقِينَ
Thumma 'Innakum Ba`da Dhālika Lamayyitūna [23.15] Voorzeker daarna sterft gij. ثُمَّ إِنَّكُمْ بَعْدَ ذَلِكَ لَمَيِّتُونَ
Thumma 'Innakum Yawma Al-Qiyāmati Tub`athūna [23.16] En op de Dag der Verrijzenis zult gij worden opgewekt. ثُمَّ إِنَّكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ تُبْعَثُونَ
Wa Laqad Khalaqnā Fawqakum Sab`a Ţarā'iqa Wa Mā Kunnā `Ani Al-Khalqi Ghāfilīna [23.17] En boven u hebben Wij zeven wegen gemaakt, en nimmer veronachtzamen Wij de schepping. وَلَقَدْ خَلَقْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعَ طَرَائِقَ وَمَا كُنَّا عَنِ الْخَلْقِ غَافِلِينَ
Wa 'Anzalnā Mina As-Samā'i Mā'an Biqadarin Fa'askannāhu Fī Al-'Arđi Wa 'Innā `Alá Dhahābin Bihi Laqādirūna [23.18] Wij zenden water uit de hemel neer in bepaalde hoeveelheid en Wij doen deze in de aarde blijven en voorzeker zijn Wij ook in staat die weer weg te nemen. وَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاء ً بِقَدَر ٍ فَأَسْكَنَّاه ُُ فِي الأَرْضِ وَإِنَّا عَلَى ذَهَاب ٍ بِه ِِ لَقَادِرُونَ
Fa'ansha'nā Lakum Bihi Jannātin Min Nakhīlin Wa 'A`nābin Lakum Fīhā Fawākihu Kathīratun Wa Minhā Ta'kulūna [23.19] En Wij brengen daarmede tuinen van dadelpalmen en wijnstokken voor u voort, waarvan gij overvloedig fruit hebt; en gij eet daarvan. فَأَنشَأْنَا لَكُمْ بِه ِِ جَنَّات ٍ مِنْ نَخِيل ٍ وَأَعْنَاب ٍ لَكُمْ فِيهَا فَوَاكِه ُُ كَثِيرَة ٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ
Wa Shajaratan Takhruju Min Ţūri Saynā'a Tanbutu Bid-Duhni Wa Şibghin Lil'ākilīna [23.20] En Wij brengen een boom voort die groeit uit de berg Sinaï: deze brengt olie en een saus voort voor hen die het willen nuttigen. وَشَجَرَة ً تَخْرُجُ مِنْ طُورِ سَيْنَاءَ تَنْبُتُ بِالدُّهْنِ وَصِبْغ ٍ لِلآكِلِينَ
Wa 'Inna Lakum Al-'An`āmi La`ibratan Nusqīkum Mimmā Fī Buţūnihā Wa Lakum Fīhā Manāfi`u Kathīratun Wa Minhā Ta'kulūna [23.21] En in het vee is eveneens een les voor u. Wij geven u te drinken van de melk die in hun buik is en gij trekt er talrijke voordelen van en eveneens eet gij er van. وَإِنَّ لَكُمْ فِي الأَنعَامِ لَعِبْرَة ً نُسقِيكُمْ مِمَّا فِي بُطُونِهَا وَلَكُمْ فِيهَا مَنَافِعُ كَثِيرَة ٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ
Wa `Alayhā Wa `Alá Al-Fulki Tuĥmalūna [23.22] Daarop zowel als op schepen wordt gij gedragen. وَعَلَيْهَا وَعَلَى الْفُلْكِ تُحْمَلُونَ
Wa Laqad 'Arsalnā Nūĥāan 'Ilá Qawmihi Faqāla Yā Qawmi A`budū Allāha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu 'Afalā Tattaqūna [23.23] En Wij zonden Noach tot zijn volk, en hij zeide: "O mijn volk, dien Allah. Gij hebt geen andere God buiten Hem. Wilt gij dan niet vrezen?" وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحا ً إِلَى قَوْمِه ِِ فَقَالَ يَاقَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُهُ~ُ أَفَلاَ تَتَّقُونَ
Faqāla Al-Mala'u Al-Ladhīna Kafarū Min Qawmihi Mā Hādhā 'Illā Basharun Mithlukum Yurīdu 'An Yatafađđala `Alaykum Wa Law Shā'a Allāhu La'anzala Malā'ikatan Mā Sami`nā Bihadhā Fī 'Ābā'inā Al-'Awwalīna [23.24] En de hoofden van zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: "Hij is slechts een mens zoals gij, hij zou zich boven u willen verheffen. En indien het Allah had behaagd, had Hij voorzeker engelen nedergezonden. Wij hebben nooit van zulk (een boodschapper) onder onze voorvaderen gehoord. فَقَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِه ِِ مَا هَذَا إِلاَّ بَشَر ٌ مِثْلُكُمْ يُرِيدُ أَنْ يَتَفَضَّلَ عَلَيْكُمْ وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَأَنزَلَ مَلاَئِكَة ً مَا سَمِعْنَا بِهَذَا فِي آبَائِنَا الأَوَّلِينَ
'In Huwa 'Illā Rajulun Bihi Jinnatun Fatarabbaşū Bihi Ĥattá Ĥīnin [23.25] Hij is slechts een bezetene; wacht daarom een korte wijle, (ongetwijfeld zal hem iets overkomen)." إِنْ هُوَ إِلاَّ رَجُل ٌ بِه ِِ جِنَّة ٌ فَتَرَبَّصُوا بِه ِِ حَتَّى حِين ٍ
Qāla Rabbi Anşurnī Bimā Kadhdhabūni [23.26] Noach zeide: "O mijn Heer, help mij, want zij hebben mij verloochend." قَالَ رَبِّ انصُرْنِي بِمَا كَذَّبُونِ
Fa'awĥaynā 'Ilayhi 'Ani Aşna`i Al-Fulka Bi'a`yuninā Wa Waĥyinā Fa'idhā Jā'a 'Amrunā Wa Fāra At-Tannūru Fāsluk Fīhā Min Kullin Zawjayni Athnayni Wa 'Ahlaka 'Illā Man Sabaqa `Alayhi Al-Qawlu Minhum Wa Lā Tukhāţibnī Fī Al-Ladhīna Žalamū 'Innahum Mughraqūna [23.27] Toen openbaarden Wij hem: "Bouw de Ark onder Onze ogen en in overeenstemming met Onze openbaring. En wanneer Ons bevel komt en de oppervlakte der aarde overstroomt, neem dan aan boord twee (exemplaren) van wat nodig is en uw gezin, behalve degenen tegen wie het woord reeds is uitgevaardigd. En spreek Mij niet over de onrechtvaardigen, want zij zullen worden verdronken. فَأَوْحَيْنَا إِلَيْهِ أَنِ اصْنَعِ الْفُلْكَ بِأَعْيُنِنَا وَوَحْيِنَا فَإِذَا جَاءَ أَمْرُنَا وَفَارَ التَّنُّورُ فَاسْلُكْ فِيهَا مِنْ كُلّ ٍ زَوْجَيْنِ اثْنَيْنِ وَأَهْلَكَ إِلاَّ مَنْ سَبَقَ عَلَيْهِ الْقَوْلُ مِنْهُمْ وَلاَ تُخَاطِبْنِي فِي الَّذِينَ ظَلَمُوا إِنَّهُمْ مُغْرَقُونَ
Fa'idhā Astawayta 'Anta Wa Man Ma`aka `Alá Al-Fulki Faquli Al-Ĥamdu Lillāhi Al-Ladhī Najjānā Mina Al-Qawmi Až-Žālimīna [23.28] "En wanneer gij de Ark zult hebben betrokken - gij en degenen die met u zijn zeg dan: "Alle lof behoort aan Allah, Die ons van een boosaardig volk heeft gered." فَإِذَا اسْتَوَيْتَ أَنْتَ وَمَنْ مَعَكَ عَلَى الْفُلْكِ فَقُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي نَجَّانَا مِنَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Wa Qul Rabbi 'Anzilnī Munzalāan Mubārakāan Wa 'Anta Khayru Al-Munzilīna [23.29] En zeg: "Mijn Heer, verleen mij een gezegende landing, want Gij zijt de Beste Landingshulp." وَقُلْ رَبِّ أَنزِلْنِي مُنْزَلا ً مُبَارَكا ً وَأَنْتَ خَيْرُ الْمُنزِلِينَ
'Inna Fī Dhālika La'āyātin Wa 'In Kunnā Lamubtalīna [23.30] Voorwaar, hierin zijn tekenen, en waarlijk Wij stellen (de mensen) op de proef. إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَات ٍ وَإِنْ كُنَّا لَمُبْتَلِينَ
Thumma 'Ansha'nā Min Ba`dihim Qarnāan 'Ākharīna [23.31] Toen verwekten Wij een ander geslacht na hen. ثُمَّ أَنشَأْنَا مِنْ بَعْدِهِمْ قَرْنا ً آخَرِينَ
Fa'arsalnā Fīhim Rasūlāan Minhum 'Ani A`budū Allāha Mā Lakum Min 'Ilahin Ghayruhu 'Afalā Tattaqūna [23.32] En Wij zonden onder hen een boodschapper uit hun midden, die zeide: "Dient Allah, gij hebt geen andere God dan Hem. Wilt gij dan niet vrezen?" فَأَرْسَلْنَا فِيهِمْ رَسُولا ً مِنْهُمْ أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُمْ مِنْ إِلَه ٍٍ غَيْرُهُ~ُ أَفَلاَ تَتَّقُونَ
Wa Qāla Al-Mala'u Min Qawmihi Al-Ladhīna Kafarū Wa Kadhdhabū Biliqā'i Al-'Ākhirati Wa 'Atrafnāhum Al-Ĥayāati Ad-Dunyā Mā Hādhā 'Illā Basharun Mithlukum Ya'kulu Mimmā Ta'kulūna Minhu Wa Yashrabu Mimmā Tashrabūna [23.33] En de hoofden van zijn volk, die ongelovig waren en die de ontmoeting in het Hiernamaals loochenden en wie Wij in dit leven overvloed (van het goede der aarde) hadden gegeven, zeiden: "Dit is slechts een mens, zoals gij. Hij eet van hetgeengij eet en drinkt van hetgeen gij drinkt. وَقَالَ الْمَلَأُ مِنْ قَوْمِهِ الَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِلِقَاءِ الآخِرَةِ وَأَتْرَفْنَاهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا مَا هَذَا إِلاَّ بَشَر ٌ مِثْلُكُمْ يَأْكُلُ مِمَّا تَأْكُلُونَ مِنْهُ وَيَشْرَبُ مِمَّا تَشْرَبُونَ
Wa La'in 'Aţa`tum Basharāan Mithlakum 'Innakum 'Idhāan Lakhāsirūna [23.34] En indien gij een man gelijk aan uzelf gehoorzaamt dan zijt gij zeker verloren. وَلَئِنْ أَطَعْتُمْ بَشَرا ً مِثْلَكُمْ إِنَّكُمْ إِذا ً لَخَاسِرُونَ
'Aya`idukum 'Annakum 'Idhā Mittum Wa Kuntum Turābāan Wa `Ižāmāan 'Annakum Mukhrajūna [23.35] Belooft hij u dat wanneer gij dood zijt en stof en beenderen zijt geworden, gij weder zult worden opgewekt? أَيَعِدُكُمْ أَنَّكُمْ إِذَا مِتُّمْ وَكُنتُمْ تُرَابا ً وَعِظَاماً أَنَّكُمْ مُخْرَجُونَ
Hayhāta Hayhāta Limā Tū`adūna [23.36] Verre, verre is hetgeen u wordt beloofd! هَيْهَاتَ هَيْهَاتَ لِمَا تُوعَدُونَ
'In Hiya 'Illā Ĥayātunā Ad-Dunyā Namūtu Wa Naĥyā Wa Mā Naĥnu Bimabthīna [23.37] Er is geen ander leven buiten ons tegenwoordige leven; wij leven en sterven en zullen niet worden opgewekt. إِنْ هِيَ إِلاَّ حَيَاتُنَا الدُّنْيَا نَمُوتُ وَنَحْيَا وَمَا نَحْنُ بِمَبْعُوثِينَ
'In Huwa 'Illā Rajulun Aftará `Alá Allāhi Kadhibāan Wa Mā Naĥnu Lahu Bimu'uminīna [23.38] Hij is niet anders dan een mens die een leugen heeft verzonnen over Allah; wij zullen in hem stellig niet geloven." إِنْ هُوَ إِلاَّ رَجُل ٌ افْتَرَى عَلَى اللَّهِ كَذِبا ً وَمَا نَحْنُ لَه ُُ بِمُؤْمِنِينَ
Qāla Rabbi Anşurnī Bimā Kadhdhabūni [23.39] Hij zeide: "Mijn Heer, help mij, want zij hebben mij verloochend." قَالَ رَبِّ انصُرْنِي بِمَا كَذَّبُونِ
Qāla `Ammā Qalīlin Layuşbiĥunna Nādimīna [23.40] (God) zeide: "Binnen korte tijd zullen zij zeker spijt krijgen." قَالَ عَمَّا قَلِيل ٍ لَيُصْبِحُنَّ نَادِمِينَ
Fa'akhadhat/humu Aş-Şayĥatu Bil-Ĥaqqi Faja`alnāhum Ghuthā'an Fabu`dāan Lilqawmi Až-Žālimīna [23.41] Terecht greep hen daarom de rukwind en Wij maakten hen als wrakhout. Vervloekt zij het onrechtvaardige volk. فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ بِالْحَقِّ فَجَعَلْنَاهُمْ غُثَاء ً فَبُعْدا ً لِلْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Thumma 'Ansha'nā Min Ba`dihim Qurūnāan 'Ākharīna [23.42] Toen verwekten Wij na hen andere geslachten. ثُمَّ أَنشَأْنَا مِنْ بَعْدِهِمْ قُرُونا ً آخَرِينَ
Mā Tasbiqu Min 'Ummatin 'Ajalahā Wa Mā Yasta'khirūna [23.43] Geen volk kan zijn vastgestelde tijd overschrijden, evenmin kunnen zij die uitstellen. مَا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَأْخِرُونَ
Thumma 'Arsalnā Rusulanā Tatrā Kulla Mā Jā'a 'Ummatan Rasūluhā Kadhdhabūhu Fa'atba`nā Ba`đahum Ba`đāan Wa Ja`alnāhum 'Aĥādītha Fabu`dāan Liqawmin Lā Yu'uminūna [23.44] Dan zonden Wij Onze boodschappers de een na de ander. Telkens wanneer een Boodschapper tot een volk kwam, verloochenden zij hem. Dus deden Wij hen elkander opvolgen en maakten hen tot legenden. Vervloekt zij het volk dat niet wil geloven. ثُمَّ أَرْسَلْنَا رُسُلَنَا تَتْرَا كُلَّ مَا جَاءَ أُمَّة ً رَسُولُهَا كَذَّبُوه ُُ فَأَتْبَعْنَا بَعْضَهُمْ بَعْضا ً وَجَعَلْنَاهُمْ أَحَادِيثَ فَبُعْدا ً لِقَوْم ٍ لاَ يُؤْمِنُونَ
Thumma 'Arsalnā Mūsá Wa 'Akhāhu Hārūna Bi'āyātinā Wa Sulţānin Mubīnin [23.45] Dan zonden Wij Mozes en zijn broeder Aنron met Onze tekenen en een duidelijk gezag ثُمَّ أَرْسَلْنَا مُوسَى وَأَخَاه ُُ هَارُونَ بِآيَاتِنَا وَسُلْطَان ٍ مُبِين ٍ
'Ilá Fir`awna Wa Mala'ihi Fāstakbarū Wa Kānū Qawmāan `Ālīna [23.46] Tot Pharao en zijn opperhoofden; zij toonden hoogmoed en waren een aanmatigend volk. إِلَى فِرْعَوْنَ وَمَلَئِه ِِ فَاسْتَكْبَرُوا وَكَانُوا قَوْماً عَالِينَ
Faqālū 'Anu'uminu Libasharayni Mithlinā Wa Qawmuhumā Lanā `Ābidūna [23.47] En zij zeiden: "Moeten wij geloven in twee mannen aan ons gelijk terwigl hun volk onze slaaf is?" فَقَالُوا أَنُؤْمِنُ لِبَشَرَيْنِ مِثْلِنَا وَقَوْمُهُمَا لَنَا عَابِدُونَ
Fakadhdhabūhumā Fakānū Mina Al-Muhlakīna [23.48] Derhalve verloochenden zij hen en zij behoorden tot degenen die vernietigd werden. فَكَذَّبُوهُمَا فَكَانُوا مِنَ الْمُهْلَكِينَ
Wa Laqad 'Ātaynā Mūsá Al-Kitāba La`allahum Yahtadūna [23.49] En wij schonken Mozes het Boek opdat zij (de kinderen Israëls) leiding mochten volge. وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ
Wa Ja`alnā Abna Maryama Wa 'Ummahu 'Āyatan Wa 'Āwaynāhumā 'Ilá Rabwatin Dhāti Qarārin Wa Ma`īnin [23.50] En Wij bestemden de zoon van Maria en zijn moeder tot een teken en schonken hun toevlucht op een hoog plateau met groene weiden en bronnen. وَجَعَلْنَا ابْنَ مَرْيَمَ وَأُمَّهُ آيَة ً وَآوَيْنَاهُمَا إِلَى رَبْوَة ٍ ذَاتِ قَرَار ٍ وَمَعِين ٍ
Yā 'Ayyuhā Ar-Rusulu Kulū Mina Aţ-Ţayyibāti Wa A`malū Şāliĥāan 'Innī Bimā Ta`malūna `Alīmun [23.51] O gij boodschappers, eet van hetgeen rein is en verricht goede werken. Voorwaar Ik weet goed wat gij doet. يَا أَيُّهَا الرُّسُلُ كُلُوا مِنَ الطَّيِّبَاتِ وَاعْمَلُوا صَالِحا ً إِنِّي بِمَا تَعْمَلُونَ عَلِيم ٌ
Wa 'Inna Hadhihi 'Ummatukum 'Ummatan Wāĥidatan Wa 'Anā Rabbukum Fa Attaqūni [23.52] En weet dat uw gemeenschap één gemeenschap is en dat Ik uw Heer ben. Neemt Mij derhalve tot uw Beschermer. وَإِنَّ هَذِهِ~ِ أُمَّتُكُمْ أُمَّة ً وَاحِدَة ً وَأَنَا رَبُّكُمْ فَاتَّقُونِ
Fataqaţţa`ū 'Amrahum Baynahum Zuburāan Kullu Ĥizbin Bimā Ladayhim Farūna [23.53] Maar zij hebben hun godsdienst onder elkander verdeeld, elke partij verheugt zich over hetgeen zij bezit. فَتَقَطَّعُوا أَمْرَهُمْ بَيْنَهُمْ زُبُرا ً كُلُّ حِزْب ٍ بِمَا لَدَيْهِمْ فَرِحُونَ
FadharhumGhamratihim Ĥattá Ĥīnin [23.54] Laat hen daarom voor een tijd aan hun onwetendheid over. فَذَرْهُمْ فِي غَمْرَتِهِمْ حَتَّى حِين ٍ
'Ayaĥsabūna 'Annamā Numidduhum Bihi Min Mālin Wa Banīna [23.55] Denken zij dat vanwege de rijkdom en de zonen waarmee Wij hen helpen, أَيَحْسَبُونَ أَنَّمَا نُمِدُّهُمْ بِه ِِ مِنْ مَال ٍ وَبَنِينَ
Nusāri`u Lahum Al-Khayrāti Bal Lā Yash`urūna [23.56] Wij Ons haasten hun goed te doen? Neen, zij begrijpen het niet. نُسَارِعُ لَهُمْ فِي الْخَيْرَاتِ بَل لاَ يَشْعُرُونَ
'Inna Al-Ladhīna Hum Min Khashyati Rabbihim Mushfiqūna [23.57] Voorwaar, degenen die sidderen van ontzag voor hun Heer, إِنَّ الَّذِينَ هُمْ مِنْ خَشْيَةِ رَبِّهِمْ مُشْفِقُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum Bi'āyāti Rabbihim Yu'uminūna [23.58] En degenen die geloven in de tekenen van hun Heer, وَالَّذِينَ هُمْ بِآيَاتِ رَبِّهِمْ يُؤْمِنُونَ
Wa Al-Ladhīna Hum Birabbihim Lā Yushrikūna [23.59] En degenen die hun Heer geen deelgenoten toeschrijven, وَالَّذِينَ هُمْ بِرَبِّهِمْ لاَ يُشْرِكُونَ
Wa Al-Ladhīna Yu'utūna Mā 'Ātaw Wa Qulūbuhum Wa Jilatun 'Annahum 'Ilá Rabbihim Rāji`ūna [23.60] En degenen die weggeven hetgeen zij (kunnen) geven terwijl hun hart is vervuld van vrees. omdat zij tot hun Heer zullen terugkeren, وَالَّذِينَ يُؤْتُونَ مَا آتَوا وَقُلُوبُهُمْ وَجِلَةٌ أَنَّهُمْ إِلَى رَبِّهِمْ رَاجِعُونَ
'Ūlā'ika Yusāri`ūna Fī Al-Khayrāti Wa Hum Lahā Sābiqūna [23.61] Dezen zijn het die zich haasten en wedijveren in het doen van goede werken. أُوْلَائِكَ يُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَهُمْ لَهَا سَابِقُونَ
Wa Lā Nukallifu Nafsāan 'Illā Wus`ahā Wa Ladaynā Kitābun Yanţiqu Bil-Ĥaqqi Wa Hum Lā Yužlamūn [23.62] Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. Bij Ons is een boek, dat de waarheid spreekt en hun zal geen onrecht worden aangedaan. وَلاَ نُكَلِّفُ نَفْسا ً إِلاَّ وُسْعَهَا وَلَدَيْنَا كِتَاب ٌ يَنطِقُ بِالْحَقِّ وَهُمْ لاَ يُظْلَمُون
Bal QulūbuhumGhamratin Min Hādhā Wa Lahum 'A`mālun Min Dūni Dhālika Hum Lahā `Āmilūna [23.63] Maar hun hart is onverschillig jegens dit Boek, en buitendien hebben zij bezigheden waarmee zij voortgaan; بَلْ قُلُوبُهُمْ فِي غَمْرَة ٍ مِنْ هَذَا وَلَهُمْ أَعْمَال ٌ مِنْ دُونِ ذَلِكَ هُمْ لَهَا عَامِلُونَ
Ĥattá 'Idhā 'Akhadhnā Mutrafīhim Bil-`Adhābi 'Idhā Hum Yaj'arūna [23.64] Totdat, wanneer Wij degenen hunner die in weelde leven met straf grijpen, ziet, dan jammeren zij allen om hulp. حَتَّى إِذَا أَخَذْنَا مُتْرَفِيهِمْ بِالْعَذَابِ إِذَا هُمْ يَجْأَرُونَ
Lā Taj'arū Al-Yawma 'Innakum Minnā Lā Tunşarūna [23.65] Klaag niet op deze Dag, want gij zult door Ons niet worden geholpen. لاَ تَجْأَرُوا الْيَوْمَ إِنَّكُمْ مِنَّا لاَ تُنصَرُونَ
Qad Kānat 'Āyātī Tutlá `Alaykum Fakuntum `Alá 'A`qābikum Tankişūna [23.66] Mijn woorden werden u verkondigd, doch gij placht u af te keren. قَدْ كَانَتْ آيَاتِي تُتْلَى عَلَيْكُمْ فَكُنتُمْ عَلَى أَعْقَابِكُمْ تَنكِصُونَ
Mustakbirīna Bihi Sāmirāan Tahjurūna [23.67] Hovaardig, in dwaasheid er over pratende. مُسْتَكْبِرِينَ بِه ِِ سَامِرا ً تَهْجُرُونَ
'Afalam Yaddabbarū Al-Qawla 'Am Jā'ahum Mā Lam Ya'ti 'Ābā'ahumu Al-'Awwalīna [23.68] Hebben zij dan niet over het Woord nagedacht, of is er iets tot hen gekomen dat niet tot hun voorvaderen kwam? أَفَلَمْ يَدَّبَّرُوا الْقَوْلَ أَمْ جَاءَهُمْ مَا لَمْ يَأْتِ آبَاءَهُمُ الأَوَّلِينَ
'Am Lam Ya`rifū Rasūlahum Fahum Lahu Munkirūna [23.69] Of hebben zij hun boodschapper niet erkend dat zij hem niet aanvaarden? أَمْ لَمْ يَعْرِفُوا رَسُولَهُمْ فَهُمْ لَه ُُ مُنكِرُونَ
'Am Yaqūlūna Bihi Jinnatun Bal Jā'ahum Bil-Ĥaqqi Wa 'Aktharuhum Lilĥaqqi Kārihūna [23.70] Of zeggen zij: "Hij is krankzinng?" Neen, hij heeft hun de Waarheid gebracht maar de meesten hunner houden niet van de Waarheid. أَمْ يَقُولُونَ بِه ِِ جِنَّة ٌ بَلْ جَاءَهُمْ بِالْحَقِّ وَأَكْثَرُهُمْ لِلْحَقِّ كَارِهُونَ
Wa Lawi Attaba`a Al-Ĥaqqu 'Ahwā'ahum Lafasadati As-Samāwātu Wa Al-'Arđu Wa Man Fīhinna Bal 'Ataynāhum Bidhikrihim Fahum `An Dhikrihim Mu`rūna [23.71] En indien de Waarheid hun wensen had gevolgd, voorwaar dan zouden de hemelen en de aarde en al hetgeen daarin is, in wanorde zijn geraakt. Neen, Wij hebben hun een vermaning gezonden doch zij wenden zich ervan af. وَلَوِ اتَّبَعَ الْحَقُّ أَهْوَاءَهُمْ لَفَسَدَتِ السَّمَاوَاتُ وَالأَرْضُ وَمَنْ فِيهِنَّ بَلْ أَتَيْنَاهُمْ بِذِكْرِهِمْ فَهُمْ عَنْ ذِكْرِهِمْ مُعْرِضُونَ
'Am Tas'aluhum Kharjāan Fakharāju Rabbika Khayrun Wa Huwa Khayru Ar-Rāziqīna [23.72] Of vraagt gij van hen enige beloning? Doch de beloning van uw Heer is beter en Hij is de beste Voorziener. أَمْ تَسْأَلُهُمْ خَرْجا ً فَخَرَاجُ رَبِّكَ خَيْر ٌ وَهُوَ خَيْرُ الرَّازِقِينَ
Wa 'Innaka Latad`ūhum 'Ilá Şirāţin Mustaqīmin [23.73] En gij roept hen, voorzeker, tot het rechte pad; وَإِنَّكَ لَتَدْعُوهُمْ إِلَى صِرَاط ٍ مُسْتَقِيم ٍ
Wa 'Inna Al-Ladhīna Lā Yu'uminūna Bil-'Ākhirati `Ani Aş-Şirāţi Lanākibūna [23.74] Maar degenen, die in het Hiernamaals niet geloven dwalen inderdaad van dit pad af. وَإِنَّ الَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ بِالآخِرَةِ عَنِ الصِّرَاطِ لَنَاكِبُونَ
Wa Law Raĥimnāhum Wa Kashafnā Mā Bihim Min Đurrin Lalajjū Fī Ţughyānihim Ya`mahūna [23.75] En indien Wij ons over hen ontfermden en hun kwaal verlichtten, zouden zij toch blindelings in hun overtreding volharden. وَلَوْ رَحِمْنَاهُمْ وَكَشَفْنَا مَا بِهِمْ مِنْ ضُرّ ٍ لَلَجُّوا فِي طُغْيَانِهِمْ يَعْمَهُونَ
Wa Laqad 'Akhadhnāhum Bil-`Adhābi Famā Astakānū Lirabbihim Wa Mā Yatađarra`ūna [23.76] Wij troffen hen door een straf, doch zij werden niet nederig voor hun Heer noch werden zij ootmoedig. وَلَقَدْ أَخَذْنَاهُمْ بِالْعَذَابِ فَمَا اسْتَكَانُوا لِرَبِّهِمْ وَمَا يَتَضَرَّعُونَ
Ĥattá 'Idhā Fataĥnā `Alayhim Bābāan Dhā `Adhābin Shadīdin 'Idhā Hum Fīhi Mublisūna [23.77] Maar, wanneer Wij voor hen de poort der gestrenge straf openen, dan zullen zij tot wanhoop vervallen. حَتَّى إِذَا فَتَحْنَا عَلَيْهِمْ بَابا ً ذَا عَذَاب ٍ شَدِيد ٍ إِذَا هُمْ فِيه ِِ مُبْلِسُونَ
Wa Huwa Al-Ladhī 'Ansha'a Lakumu As-Sam`a Wa Al-'Abşāra Wa Al-'Af'idata Qalīlāan Mā Tashkurūna [23.78] (Allah) is het, Die oren, en ogen en hart voor u heeft geschapen, doch gij betoont weinig dank. وَهُوَ الَّذِي أَنشَأَ لَكُمُ السَّمْعَ وَالأَبْصَارَ وَالأَفْئِدَةَ قَلِيلا ً مَا تَشْكُرُونَ
Wa Huwa Al-Ladhī Dhara'akum Al-'Arđi Wa 'Ilayhi Tuĥsharūna [23.79] En Hij is het, Die u heeft vermenigvuldigd op aarde en tot Hem zult gij worden verzameld. وَهُوَ الَّذِي ذَرَأَكُمْ فِي الأَرْضِ وَإِلَيْهِ تُحْشَرُونَ
Wa Huwa Al-Ladhī Yuĥyī Wa Yumītu Wa Lahu Akhtilāfu Al-Layli Wa An-Nahāri 'Afalā Ta`qilūna [23.80] En Hij is het, Die leven schenkt en de dood veroorzaakt en in Zijn handen is de wisseling van nacht en dag. Wilt gij dan niet begrijpen? وَهُوَ الَّذِي يُحْيِي وَيُمِيتُ وَلَهُ اخْتِلاَفُ اللَّيْلِ وَالنَّهَارِ أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
Bal Qālū Mithla Mā Qāla Al-'Awwalūna [23.81] Doch zij zeggen hetzelfde als de voormalige volkeren zeiden. بَلْ قَالُوا مِثْلَ مَا قَالَ الأَوَّلُونَ
Qālū 'A'idhā Mitnā Wa Kunnā Turābāan Wa `Ižāmāan 'A'innā Lamabthūna [23.82] Zij zeggen: "Zullen wij, wanneer wij dood zijn en tot beenderen en stof geworden, dan inderdaad weer worden opgewekt? قَالُوا أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابا ً وَعِظَاماً أَئِنَّا لَمَبْعُوثُونَ
Laqad Wu`idnā Naĥnu Wa 'Ābā'uunā Hādhā Min Qablu 'In Hādhā 'Illā 'Asāţīru Al-'Awwalīna [23.83] "Dit werd ons en onze voorvaderen ook beloofd maar het zijn slechts fabelen der ouden." لَقَدْ وُعِدْنَا نَحْنُ وَآبَاؤُنَا هَذَا مِنْ قَبْلُ إِنْ هَذَا إِلاَّ أَسَاطِيرُ الأَوَّلِينَ
Qul Limani Al-'Arđu Wa Man Fīhā 'In Kuntum Ta`lamūna [23.84] Zeg: "Wie behoort de aarde toe en al hetgeen daarop is, als gij het weet?" قُلْ لِمَنِ الأَرْضُ وَمَنْ فِيهَا إِنْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ
Sayaqūlūna Lillāhi Qul 'Afalā Tadhakkarūna [23.85] Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Wilt gij er dan geen lering uit trekken?" سَيَقُولُونَ لِلَّهِ قُلْ أَفَلاَ تَذَكَّرُونَ
Qul Man Rabbu As-Samāwāti As-Sab`i Wa Rabbu Al-`Arshi Al-`Ažīmi [23.86] Zeg: "Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer van de Grote Troon?" قُلْ مَنْ رَبُّ السَّمَاوَاتِ السَّبْعِ وَرَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ
Sayaqūlūna Lillāhi Qul 'Afalā Tattaqūna [23.87] Zij zullen zeggen: "Allah." Zeg: "Wilt gij Hem dan niet tot uw Beschermer nemen?" سَيَقُولُونَ لِلَّهِ قُلْ أَفَلاَ تَتَّقُونَ
Qul Man Biyadihi Malakūtu Kulli Shay'in Wa Huwa Yujīru Wa Lā Yujāru `Alayhi 'In Kuntum Ta`lamūn [23.88] Zeg: "Wie is het in Wiens hand de heerschappij over alle dingen is - en Die beschermt doch tegen Wie er geen bescherming is, - als gij het weet?" قُلْ مَنْ بِيَدِه ِِ مَلَكُوتُ كُلِّ شَيْء ٍ وَهُوَ يُجِيرُ وَلاَ يُجَارُ عَلَيْهِ إِنْ كُنتُمْ تَعْلَمُون
Sayaqūlūna Lillāhi Qul Fa'annā Tusĥarūna [23.89] Zij zullen antwoorden: "Dit behoort aan Allah." Zeg: "Waarom wordt gij dan misleid?" سَيَقُولُونَ لِلَّهِ قُلْ فَأَنَّا تُسْحَرُونَ
Bal 'Ataynāhum Bil-Ĥaqqi Wa 'Innahum Lakādhibūna [23.90] Wij hebben hun de Waarheid gebracht en zij zijn zeker leugenaars. بَلْ أَتَيْنَاهُمْ بِالْحَقِّ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ
Attakhadha Allāhu Min Waladin Wa Mā Kāna Ma`ahu Min 'Ilahin 'Idhāan Ladhahaba Kullu 'Ilahin Bimā Khalaqa Wa La`alā Ba`đuhum `Alá Ba`đin Subĥāna Allāhi `Ammā Yaşifūna [23.91] Allah heeft zich geen zoon genomen, noch is er enige God naast Hem, anders zou elke God hetgeen Hij schiep, voor zich houden, en sommigen hunner zouden zeker anderen hebben overwonnen. Verheven is Allah boven al hetgeen zij beweren. مَا اتَّخَذَ اللَّهُ مِنْ وَلَد ٍ وَمَا كَانَ مَعَه ُُ مِنْ إِلَهٍ~ ٍ إِذا ً لَذَهَبَ كُلُّ إِلَه ٍ ٍ بِمَا خَلَقَ وَلَعَلاَ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْض ٍ سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ
`Ālimi Al-Ghaybi Wa Ash-Shahādati Fata`ālá `Ammā Yushrikūna [23.92] Kenner van het ongeziene en het geziene. Hij is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen. عَالِمِ الْغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ فَتَعَالَى عَمَّا يُشْرِكُونَ
Qul Rabbi 'Immā Turiyannī Mā Yū`adūna [23.93] Zeg: "Mijn Heer, indien Gij mij datgene zoudt laten zien waarmee zij bedreigd worden. قُلْ رَبِّ إِمَّا تُرِيَنِّي مَا يُوعَدُونَ
Rabbi Falā Taj`alnī Fī Al-Qawmi Až-Žālimīna [23.94] Mijn Heer, plaats mij dan niet te midden van het onrechtvaardige volk." رَبِّ فَلاَ تَجْعَلْنِي فِي الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Wa 'Innā `Alá 'An Nuriyaka Mā Na`iduhum Laqādirūna [23.95] En voorzeker, Wij hebben de macht u datgene te laten zien waarmee Wij hen bedreigen. وَإِنَّا عَلَى أَنْ نُرِيَكَ مَا نَعِدُهُمْ لَقَادِرُونَ
Adfa` Bi-Atī Hiya 'Aĥsanu As-Sayyi'ata Naĥnu 'A`lamu Bimā Yaşifūna [23.96] Verdrijf het kwade met het beste. Wij zijn op de hoogte van hetgeen zij zeggen, ادْفَعْ بِالَّتِي هِيَ أَحْسَنُ السَّيِّئَةَ نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَصِفُونَ
Wa Qul Rabbi 'A`ūdhu Bika Min Hamazāti Ash-Shayāţīni [23.97] En zeg: "Mijn Heer, bij U zoek ik mijn toevlucht tegen de inblazingen der duivelen. وَقُلْ رَبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنْ هَمَزَاتِ الشَّيَاطِينِ
Wa 'A`ūdhu Bika Rabbi 'An Yaĥđurūn<