21) Sūrat Al-'Anbyā'

Printed format

21) سُورَة الأَنبيَاء

Aqtaraba Lilnnāsi Ĥisābuhum Wa HumGhaflatin Mu`rūna [21.1] Voor de mensen is de afrekening dichterbij gekomen en toch wenden zij zich in achteloosheid af. اقْتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُهُمْ وَهُمْ فِي غَفْلَة ٍ مُعْرِضُونَ
Mā Ya'tīhim Min Dhikrin Min Rabbihim Muĥdathin 'Illā Astama`ūhu Wa Hum Yal`abūna [21.2] Er komt geen nieuwe Vermaning tot hen van hun Heer of zij luisteren er naar terwijl zij er mee spelen. مَا يَأْتِيهِمْ مِنْ ذِكْر ٍ مِنْ رَبِّهِمْ مُحْدَث ٍ إِلاَّ اسْتَمَعُوه ُُ وَهُمْ يَلْعَبُونَ
Lāhiyatan Qulūbuhum Wa 'Asarrū An-Naj Al-Ladhīna Žalamū Hal Hādhā 'Illā Basharun Mithlukum 'Afata'tūna As-Siĥra Wa 'Antum Tubşirūna [21.3] En hun hart is achteloos. En de onrechtvaardigen plegen overleg in het geheim zeggende: "Is deze (Mohammed) niet slechts een mens als gij? Wilt gij dan de tovenarij met open ogen tegemoet gaan?" لاَهِيَة ً قُلُوبُهُمْ وَأَسَرُّوا النَّجْوَى الَّذِينَ ظَلَمُوا هَلْ هَذَا إِلاَّ بَشَر ٌ مِثْلُكُمْ أَفَتَأْتُونَ السِّحْرَ وَأَنْتُمْ تُبْصِرُونَ
Qāla Rabbī Ya`lamu Al-Qawla Fī As-Samā'i Wa Al-'Arđi Wa Huwa As-Samī`u Al-`Alīmu [21.4] Zeg: "Mijn Heer, weet wat in de hemel en op aarde wordt gezegd; Hij is de Alhorende, de Alwetende." قَالَ رَبِّي يَعْلَمُ الْقَوْلَ فِي السَّمَاءِ وَالأَرْضِ وَهُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ
Bal Qālū 'Ađghāthu 'Aĥlāmin Bal Aftarāhu Bal Huwa Shā`irun Falya'tinā Bi'āyatin Kamā 'Ursila Al-'Awwalūna [21.5] "Neen," zeggen zij, "verwarde dromen; neen, hij heeft het verzonnen; neen, hij is een dichter. Laat hem ons een teken brengen zoals de vroegere (profeten) dit hebben gebracht." بَلْ قَالُوا أَضْغَاثُ أَحْلاَم ٍ بَلْ افْتَرَاه ُُ بَلْ هُوَ شَاعِر ٌ فَلْيَأْتِنَا بِآيَة ٍ كَمَا أُرْسِلَ الأَوَّلُونَ
Mā 'Āmanat Qablahum Min Qaryatin 'Ahlaknāhā 'Afahum Yu'uminūna [21.6] Vََr hen (bewoners van Mekka) heeft nooit een stad geloofd die Wij vernietigden; zullen deze dan wel geloven? مَا آمَنَتْ قَبْلَهُمْ مِنْ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا أَفَهُمْ يُؤْمِنُونَ
Wa Mā 'Arsalnā Qablaka 'Illā Rijālāan Nūĥī 'Ilayhim Fās'alū 'Ahla Adh-Dhikri 'In Kuntum Lā Ta`lamūna [21.7] En vََr u zonden Wij slechts mannen aan wie Wij een openbaring hadden gezonden - Vraagt degenen, die de Vermaning bezitten, indien gij het niet weet. - وَمَا أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ إِلاَّ رِجَالا ً نُوحِي إِلَيْهِمْ فَاسْأَلُوا أَهْلَ الذِّكْرِ إِنْ كُنتُمْ لاَ تَعْلَمُونَ
Wa Mā Ja`alnāhum Jasadāan Lā Ya'kulūna Aţ-Ţa`āma Wa Mā Kānū Khālidīna [21.8] En Wij maakten hun lichaam niet zodanig dat zij geen voedsel behoefden te gebruiken, evenmin dat zij voor eeuwen konden blijven leven. وَمَا جَعَلْنَاهُمْ جَسَدا ً لاَ يَأْكُلُونَ الطَّعَامَ وَمَا كَانُوا خَالِدِينَ
Thumma Şadaqnāhumu Al-Wa`da Fa'anjaynāhum Wa Man Nashā'u Wa 'Ahlaknā Al-Musrifīna [21.9] Aldus vervulden Wij aan hen Onze belofte, en Wij redden hen en degenen die Wij wilden; doch Wij verdelgden de buitensporigen. ثُمَّ صَدَقْنَاهُمُ الْوَعْدَ فَأَنجَيْنَاهُمْ وَمَنْ نَشَاءُ وَأَهْلَكْنَا الْمُسْرِفِينَ
Laqad 'Anzalnā 'Ilaykum Kitābāan Fīhi Dhikrukum 'Afalā Ta`qilūna [21.10] Wij hebben u een Boek (de Koran) nedergezonden waardoor gij tot aanzien kunt komen, wilt gij dan met begrijpen? لَقَدْ أَنزَلْنَا إِلَيْكُمْ كِتَابا ً فِيه ِِ ذِكْرُكُمْ أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
Wa Kam Qaşamnā Min Qaryatin Kānat Žālimatan Wa 'Ansha'nā Ba`dahā Qawmāan 'Ākharīna [21.11] Hoe menige stad vol van ongerechtigheid hebben Wij vernietigd en na haar hebben Wij een ander volk verwekt! وَكَمْ قَصَمْنَا مِنْ قَرْيَة ٍ كَانَتْ ظَالِمَة ً وَأَنشَأْنَا بَعْدَهَا قَوْما ً آخَرِينَ
Falammā 'Aĥassū Ba'sanā 'Idhā Hum Minhā Yarkuđūna [21.12] En toen zij Onze straf bemerkten, ziet, toen sloegen zij er voor op de vlucht. فَلَمَّا أَحَسُّوا بَأْسَنَا إِذَا هُمْ مِنْهَا يَرْكُضُونَ
Lā Tarkuđū Wa Arji`ū 'Ilá Mā 'Utriftum Fīhi Wa Masākinikum La`allakum Tus'alūna [21.13] "Vlucht niet en keert terug tot de genoegens die u waren veroorloofd en tot uw woningen opdat gij ondervraagd zult worden." لاَ تَرْكُضُوا وَارْجِعُوا إِلَى مَا أُتْرِفْتُمْ فِيه ِِ وَمَسَاكِنِكُمْ لَعَلَّكُمْ تُسْأَلُونَ
Qālū Yā Waylanā 'Innā Kunnā Žālimīna [21.14] Zij antwoordden: "Wee ons, voorzeker, wij waren onrechtvaardig." قَالُوا يَاوَيْلَنَا إِنَّا كُنَّا ظَالِمِينَ
Famā Zālat Tilka Da`wāhum Ĥattá Ja`alnāhum Ĥaşīdāan Khāmidīna [21.15] En hun geroep hield niet op totdat Wij hen nedermaaiden en uitblusten. فَمَا زَالَتْ تِلْكَ دَعْوَاهُمْ حَتَّى جَعَلْنَاهُمْ حَصِيداً خَامِدِينَ
Wa Mā Khalaq As-Samā'a Wa Al-'Arđa Wa Mā Baynahumā Lā`ibīna [21.16] Wij schiepen de hemel en de aarde en al hetgeen er tussen is, niet tot vermaak. وَمَا خَلَقْنَا السَّمَاءَ وَالأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا لاَعِبِينَ
Law 'Aradnā 'An Nattakhidha Lahwan Lāttakhadhnāhu Min Ladunnā 'In Kunnā Fā`ilīna [21.17] Indien Wij een spel hadden willen doen, dan zouden Wij met Onszelf hebben gespeeld, maar dit doen Wij niet. لَوْ أَرَدْنَا أَنْ نَتَّخِذَ لَهْوا ً لاَتَّخَذْنَاه ُُ مِنْ لَدُنَّا إِنْ كُنَّا فَاعِلِينَ
Bal Naqdhifu Bil-Ĥaqqi `Alá Al-Bāţili Fayadmaghuhu Fa'idhā Huwa Zāhiqun Wa Lakumu Al-Waylu Mimmā Taşifūna [21.18] Neen, Wij stellen de waarheid tegenover de valsheid zodat de eerste de laatste het hoofd breekt en ziet, zij vergaat. En wee u, wegens hetgeen gij beweert. بَلْ نَقْذِفُ بِالْحَقِّ عَلَى الْبَاطِلِ فَيَدْمَغُه ُُ فَإِذَا هُوَ زَاهِق ٌ وَلَكُمُ الْوَيْلُ مِمَّا تَصِفُونَ
Wa Lahu Man As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Wa Man `Indahu Lā Yastakbirūna `An `Ibādatihi Wa Lā Yastaĥsirūna [21.19] Hem behoort wat in de hemelen en op aarde is, en degenen die zich in Zijn tegenwoordigheid bevinden, zijn niet te trots om Hem te aanbidden, noch worden zij dit moede; وَلَه ُُ مَنْ فِي السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ عِنْدَهُ لاَ يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِه ِِ وَلاَ يَسْتَحْسِرُونَ
Yusabbiĥūna Al-Layla Wa An-Nahāra Lā Yafturūna [21.20] Zij verheerlijken Hem dag en nacht, en zij verslappen hierin nimmer. يُسَبِّحُونَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ لاَ يَفْتُرُونَ
'Am Attakhadhū 'Ālihatan Mina Al-'Arđi Hum Yunshirūna [21.21] Hebben zij (de afgodendienaars) goden genomen van de aarde die de doden kunnen opwekken? أَمْ اتَّخَذُوا آلِهَة ً مِنَ الأَرْضِ هُمْ يُنشِرُونَ
Law Kāna Fīhimā 'Ālihatun 'Illā Allāhu Lafasadatā Fasubĥāna Allāhi Rabbi Al-`Arshi `Ammā Yaşifūna [21.22] Indien er naast Allah andere Goden waren in (de hemel en op aarde) zouden dezen voorzeker tot chaos zijn vervallen. Verheven is Allah, de Heer van de Troon, boven hetgeen zij zeggen. لَوْ كَانَ فِيهِمَا آلِهَة ٌ إِلاَّ اللَّهُ لَفَسَدَتَا فَسُبْحَانَ اللَّهِ رَبِّ الْعَرْشِ عَمَّا يَصِفُونَ
Lā Yus'alu `Ammā Yaf`alu Wa Hum Yus'alūna [21.23] Hij kan niet worden ondertraagd betreffende hetgeen Hij doet, doch zij zullen worden ondervraagd. لاَ يُسْأَلُ عَمَّا يَفْعَلُ وَهُمْ يُسْأَلُونَ
'Am Attakhadhū Min Dūnihi 'Ālihatan Qul Hātū Burhānakumdhā Dhikru Man Ma`iya Wa Dhikru Man Qablī Bal 'Aktharuhum Lā Ya`lamūna Al-Ĥaqqa Fahum Mu`rūna [21.24] Hebben zij Goden buiten Hem genomen? Zeg: "Komt met uw bewijzen." Hier is de verkondiging dergenen die vََr mij waren. Doch de meesten hunner kennen de waarheid niet en zij zijn er afkerig van. أَمْ اتَّخَذُوا مِنْ دُونِهِ آلِهَة ً قُلْ هَاتُوا بُرْهَانَكُمْ هَذَا ذِكْرُ مَنْ مَعِيَ وَذِكْرُ مَنْ قَبْلِي بَلْ أَكْثَرُهُمْ لاَ يَعْلَمُونَ الْحَقَّ فَهُمْ مُعْرِضُونَ
Wa Mā 'Arsalnā Min Qablika Min Rasūl 'Iinillā Nūĥī 'Ilayhi 'Annahu Lā 'Ilāha 'Illā 'Anā Fā`budūni [21.25] En Wij zonden geen boodschapper vََr u zonder hem te openbaren: "Voorzeker er is geen God buiten Mij, aanbidt derhalve Mij alleen." وَمَا أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ مِنْ رَسُول إٍِلاَّ نُوحِي إِلَيْهِ أَنَّهُ لاَ إِلَهَ~َ إِلاَّ أَنَا فَاعْبُدُونِ
Wa Qālū Attakhadha Ar-Raĥmānu Waladāan Subĥānahu Bal `Ibādun Mukramūna [21.26] En zij zeggen: "De Barmhartige heeft Zich een zoon genomen." Heilig is Hij. Neen, zij zijn slechts geëerde dienaren. وَقَالُوا اتَّخَذَ الرَّحْمَنُ وَلَدا ً سُبْحَانَه ُُ بَلْ عِبَاد ٌ مُكْرَمُونَ
Lā Yasbiqūnahu Bil-Qawli Wa Hum Bi'amrihi Ya`malūna [21.27] Zij spreken niet eer Hij het beveelt, en zij handelen volgens Zijn gebod. لاَ يَسْبِقُونَه ُُ بِالْقَوْلِ وَهُمْ بِأَمْرِه ِِ يَعْمَلُونَ
Ya`lamu Mā Bayna 'Aydīhim Wa Mā Khalfahum Wa Lā Yashfa`ūna 'Illā Limani Artađá Wa Hum Min Khashyatihi Mushfiqūna [21.28] Hij weet wat vََr hen is, en wat achter hen is, zij zijn voor niemand voorspraak behalve voor degene die Hem behaagt en zij sidderen uit eerbied voor Hem. يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَلاَ يَشْفَعُونَ إِلاَّ لِمَنِ ارْتَضَى وَهُمْ مِنْ خَشْيَتِه ِِ مُشْفِقُونَ
Wa Man Yaqul Minhum 'Innī 'Ilahun Min Dūnihi Fadhālika Najzīhi Jahannama Kadhālika Naj Až-Žālimīna [21.29] En wie hunner zou zeggen: "Ik ben een God naast Hem," die zouden Wij met de hel vergelden. Aldus vergelden Wij de onrechtvaardigen. وَمَنْ يَقُلْ مِنْهُمْ إِنِّي إِلَه ٌ ٌ مِنْ دُونِه ِِ فَذَلِكَ نَجْزِيه ِِ جَهَنَّمَ كَذَلِكَ نَجْزِي الظَّالِمِينَ
'Awalam Yará Al-Ladhīna Kafarū 'Anna As-Samāwāti Wa Al-'Arđa Kānatā Ratqāan Fafataqnāhumā Wa Ja`alnā Mina Al-Mā'i Kulla Shay'in Ĥayyin 'Afalā Yu'uminūna [21.30] Hebben de ongelovigen niet ingezien dat de hemel en de aarde gesloten waren en dat Wij ze dan hebben geopend? En al hetgeen leeft, hebben Wij uit water gemaakt. Willen zij dan toch niet geloven? أَوَلَمْ يَرَى الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضَ كَانَتَا رَتْقا ً فَفَتَقْنَاهُمَا وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ أَفَلاَ يُؤْمِنُونَ
Wa Ja`alnā Fī Al-'Arđi Rawāsiya 'An Tamīda Bihim Wa Ja`alnā Fīhā Fijājāan Subulāan La`allahum Yahtadūna [21.31] En Wij hebben op aarde onwrikbare bergen geplaatst, opdat zij niet met hen (de mensen) zouden beven; en Wij hebben er wijde wegen gemaakt, opdat zij de juiste richting zouden volgen. وَجَعَلْنَا فِي الأَرْضِ رَوَاسِيَ أَنْ تَمِيدَ بِهِمْ وَجَعَلْنَا فِيهَا فِجَاجا ً سُبُلا ً لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ
Wa Ja`alnā As-Samā'a Saqfāan Maĥfūžāan Wa Hum `An 'Āyātihā Mu`rūna [21.32] En Wij hebben de hemel gemaakt tot een welbeschermd dak; niettemin wenden zij zich af van deze tekenen. وَجَعَلْنَا السَّمَاءَ سَقْفا ً مَحْفُوظا ً وَهُمْ عَنْ آيَاتِهَا مُعْرِضُونَ
Wa Huwa Al-Ladhī Khalaqa Al-Layla Wa An-Nahāra Wa Ash-Shamsa Wa Al-Qamara Kullun Fī Falakin Yasbaĥūna [21.33] En Hij is het, Die de nacht en de dag schiep. Ook de zon en de maan, elk hunner beweegt zich langs een (vaste) baan. وَهُوَ الَّذِي خَلَقَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ كُلّ ٌ فِي فَلَك ٍ يَسْبَحُونَ
Wa Mā Ja`alnā Libasharin Min Qablika Al-Khulda 'Afa'īn Mitta Fahumu Al-Khālidūna [21.34] Wij hebben aan niemand vََr u een eeuwig leven geschonken. Indien gij sterft, zouden zij hier dan voor eeuwig kunnen blijven? وَمَا جَعَلْنَا لِبَشَر ٍ مِنْ قَبْلِكَ الْخُلْدَ أَفَإِيْنْ مِتَّ فَهُمُ الْخَالِدُونَ
Kullu Nafsin Dhā'iqatu Al-Mawti Wa Nablūkum Bish-Sharri Wa Al-Khayri Fitnatan Wa 'Ilaynā Turja`ūna [21.35] Iedere ziel zal de dood ondergaan en Wij beproeven u met kwaad en goed en tot Ons zult gij terugkeren. كُلُّ نَفْس ٍ ذَائِقَةُ الْمَوْتِ وَنَبْلُوكُمْ بِالشَّرِّ وَالْخَيْرِ فِتْنَة ً وَإِلَيْنَا تُرْجَعُونَ
Wa 'Idhā Ra'āka Al-Ladhīna Kafarū 'In Yattakhidhūnaka 'Illā Huzūan 'Ahadhā Al-Ladhī Yadhkuru 'Ālihatakum Wa Hum Bidhikri Ar-Raĥmāni Hum Kāfirūna [21.36] Wanneer de ongelovigen u zien, spotten zij slechts met u, zij zeggen: "Is dit degene die kwaad spreekt van uw Goden?" terwijl zij het zijn die de verkondiging van de Barmhartige verwerpen. وَإِذَا رَآكَ الَّذِينَ كَفَرُوا إِنْ يَتَّخِذُونَكَ إِلاَّ هُزُواً أَهَذَا الَّذِي يَذْكُرُ آلِهَتَكُمْ وَهُمْ بِذِكْرِ الرَّحْمَنِ هُمْ كَافِرُونَ
Khuliqa Al-'Insānu Min `Ajalin Sa'urīkum 'Āyātī Falā Tasta`jilūni [21.37] De mens is met een haastige natuur geschapen. Ik zal u Mijn tekenen tonen, doch vraagt Mij niet ze te verhaasten. خُلِقَ الإِنسَانُ مِنْ عَجَل ٍ سَأُرِيكُمْ آيَاتِي فَلاَ تَسْتَعْجِلُونِ
Wa Yaqūlūna Matá Hādhā Al-Wa`du 'In Kuntum Şādiqīna [21.38] En zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte worden vervuld, indien gij waarachtig zijt?" وَيَقُولُونَ مَتَى هَذَا الْوَعْدُ إِنْ كُنتُمْ صَادِقِينَ
Law Ya`lamu Al-Ladhīna Kafarū Ĥīna Lā Yakuffūna `An Wujūhihimu An-Nāra Wa Lā `An Žuhūrihim Wa Lā Hum Yunşarūna [21.39] O, wisten de ongelovigen maar de tijd wanneer zij niet bij machte zullen zijn het Vuur van hun gezicht of van hun rug te weren en niet zullen worden geholpen! لَوْ يَعْلَمُ الَّذِينَ كَفَرُوا حِينَ لاَ يَكُفُّونَ عَنْ وُجُوهِهِمُ النَّارَ وَلاَ عَنْ ظُهُورِهِمْ وَلاَ هُمْ يُنْصَرُونَ
Bal Ta'tīhim Baghtatan Fatabhatuhum Falā Yastaţī`ūna Raddahā Wa Lā Hum Yunžarūna [21.40] Neen, onverwachts zal het hen achterhalen en het zal hen verbijsteren; en zij zullen niet bij machte zijn het te voorkomen, noch zal hun uitstel worden gegeven. بَلْ تَأْتِيهِمْ بَغْتَة ً فَتَبْهَتُهُمْ فَلاَ يَسْتَطِيعُونَ رَدَّهَا وَلاَ هُمْ يُنظَرُونَ
Wa Laqadi Astuhzi'a Birusulin Min Qablika Faĥāqa Bial-Ladhīna Sakhirū Minhum Mā Kānū Bihi Yastahzi'ūn [21.41] Voorzeker werden de boodschappers vََr u ook bespot, maar degenen die hen bespotten, werden door het bespotte getroffen. وَلَقَدِ اسْتُهْزِئَ بِرُسُل ٍ مِنْ قَبْلِكَ فَحَاقَ بِالَّذِينَ سَخِرُوا مِنْهُمْ مَا كَانُوا بِه ِِ يَسْتَهْزِئُون
Qul Man Yakla'uukum Bil-Layli Wa An-Nahāri Mina Ar-Raĥmāni Bal Hum `An Dhikri Rabbihim Mu`rūna [21.42] Zeg: "Wie beschermt u dag en nacht behalve de Barmhartige?" Neen, zij wenden zich af van de gedachtenis aan hun Heer. قُلْ مَنْ يَكْلَؤُكُمْ بِاللَّيْلِ وَالنَّهَارِ مِنَ الرَّحْمَنِ بَلْ هُمْ عَنْ ذِكْرِ رَبِّهِمْ مُعْرِضُونَ
'Am Lahum 'Ālihatun Tamna`uhum Min Dūninā Lā Yastaţī`ūna Naşra 'Anfusihim Wa Lā Hum Minnā Yuşĥabūna [21.43] Hebben zij goden die hen kunnen beschermen tegen Ons? Zij kunnen zichzelf niet helpen, noch worden zij door Ons bijgestaan. أَمْ لَهُمْ آلِهَة ٌ تَمْنَعُهُمْ مِنْ دُونِنَا لاَ يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَ أَنفُسِهِمْ وَلاَ هُمْ مِنَّا يُصْحَبُونَ
Bal Matta`nā Hā'uulā' Wa 'Ābā'ahum Ĥattá Ţāla `Alayhimu Al-`Umuru 'Afalā Yarawna 'Annā Na'tī Al-'Arđa Nanquşuhā Min 'Aţrāfihā 'Afahumu Al-Ghālibūna [21.44] Neen, Wij hebben deze (mensen) en hun vaderen een voorziening gegeven totdat het leven hun verlengd werd. Zien zij met dat Wij het land (der ongelovigen) bezoeken, het van de buitenzijde af besnoeiend? Zullen zij dan de overhand hebben? بَلْ مَتَّعْنَا هَاؤُلاَء وَآبَاءَهُمْ حَتَّى طَالَ عَلَيْهِمُ الْعُمُرُ أَفَلاَ يَرَوْنَ أَنَّا نَأْتِي الأَرْضَ نَنقُصُهَا مِنْ أَطْرَافِهَا أَفَهُمُ الْغَالِبُونَ
Qul 'Innamā 'Undhirukum Bil-Waĥyi Wa Lā Yasma`u Aş-Şummu Ad-Du`ā'a 'Idhā Mā Yundharūna [21.45] Zeg: "Ik waarschuw u slechts door Openbaring." Doch de doven horen de roep niet wanneer zij worden gewaarschuwd. قُلْ إِنَّمَا أُنذِرُكُمْ بِالْوَحْيِ وَلاَ يَسْمَعُ الصُّمُّ الدُّعَاءَ إِذَا مَا يُنذَرُونَ
Wa La'in Massat/hum Nafĥatun Min `Adhābi Rabbika Layaqūlunna Yā Waylanā 'Innā Kunnā Žālimīna [21.46] En indien een ademtocht der kastijding van uw Heer hen raakt, zullen zij ongetwijfeld zeggen: "Wee ons, wij waren inderdaad onrechtvaardigen." وَلَئِنْ مَسَّتْهُمْ نَفْحَة ٌ مِنْ عَذَابِ رَبِّكَ لَيَقُولُنَّ يَاوَيْلَنَا إِنَّا كُنَّا ظَالِمِينَ
Wa Nađa`u Al-Mawāzīna Al-Qisţa Liyawmi Al-Qiyāmati Falā Tužlamu Nafsun Shay'āan Wa 'In Kāna Mithqāla Ĥabbatin Min Khardalin 'Ataynā Bihā Wa Kafá Binā Ĥāsibīna [21.47] En Wij zullen weegschalen der gerechtigheid instellen op de Dag der Opstanding, zodat geen enkele ziel in enig opzicht onrecht zal worden aangedaan. En al was het slechts het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen het naar voren brengen en Wij zijn voldoende als Rekenaar. وَنَضَعُ الْمَوَازِينَ الْقِسْطَ لِيَوْمِ الْقِيَامَةِ فَلاَ تُظْلَمُ نَفْس ٌ شَيْئا ً وَإِنْ كَانَ مِثْقَالَ حَبَّة ٍ مِنْ خَرْدَلٍ أَتَيْنَا بِهَا وَكَفَى بِنَا حَاسِبِينَ
Wa Laqad 'Ātaynā Mūsá Wa Hārūna Al-Furqāna Wa Điyā'an Wa Dhikrāan Lilmuttaqīna [21.48] En Wij schonken Mozes en Aنron het Onderscheid, tot een licht en een gedachtenis voor de godvrezenden. وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى وَهَارُونَ الْفُرْقَانَ وَضِيَاء ً وَذِكْرا ً لِلْمُتَّقِينَ
Al-Ladhīna Yakhshawna Rabbahum Bil-Ghaybi Wa Hum Mina As-Sā`ati Mushfiqūna [21.49] Die hun Heer in het verborgene vrezen en het Uur duchten. الَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُمْ بِالْغَيْبِ وَهُمْ مِنَ السَّاعَةِ مُشْفِقُونَ
Wa Hadhā Dhikrun Mubārakun 'Anzalnāhu 'Afa'antum Lahu Munkirūna [21.50] En dit (de Koran) is een gezegende verkondiging die Wij hebben nedergezonden: zult gij deze dan ontkennen? وَهَذَا ذِكْر ٌ مُبَارَكٌ أَنزَلْنَاهُ~ُ أَفَأَنْتُمْ لَه ُُ مُنكِرُونَ
Wa Laqad 'Ātaynā 'Ibrāhīma Rushdahu Min Qablu Wa Kunnā Bihi `Ālimīna [21.51] En voorheen schonken Wij aan Abraham zijn rechtschapenheid en Wij kenden hem goed. وَلَقَدْ آتَيْنَا إِبْرَاهِيمَ رُشْدَه ُُ مِنْ قَبْلُ وَكُنَّا بِه ِِ عَالِمِينَ
'Idh Qāla Li'abīhi Wa Qawmihi Mā Hadhihi At-Tamāthīlu Allatī 'Antum Lahā `Ākifūna [21.52] Toen hij tot zijn vader en tot zijn volk zeide: "Wat zijn deze beelden waaraan gij zo gehecht zijt?" إِذْ قَالَ لِأَبِيه ِِ وَقَوْمِه ِِ مَا هَذِهِ التَّمَاثِيلُ الَّتِي أَنْتُمْ لَهَا عَاكِفُونَ
Qālū Wajadnā 'Ābā'anā Lahā `Ābidīna [21.53] Antwoordden zij: "Wij vonden dat onze vaderen deze aanbaden." قَالُوا وَجَدْنَا آبَاءَنَا لَهَا عَابِدِينَ
Qāla Laqad Kuntum 'Antum Wa 'Ābā'uukum Fī Đalālin Mubīnin [21.54] Hij zeide: "Voorwaar, gij met uw vaderen verkeert in duidelijke dwaling." قَالَ لَقَدْ كُنتُمْ أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمْ فِي ضَلاَل ٍ مُبِين ٍ
Qālū 'Aji'tanā Bil-Ĥaqqi 'Am 'Anta Mina Al-Lā`ibīna [21.55] Zij zeiden: "Hebt gij ons de waarheid gebracht, of speelt gij slechts met ons?" قَالُوا أَجِئْتَنَا بِالْحَقِّ أَمْ أَنْتَ مِنَ اللاَّعِبِينَ
Qāla Bal Rabbukum Rabbu As-Samāwāti Wa Al-'Arđi Al-Ladhī Faţarahunna Wa 'Anā `Alá Dhālikum Mina Ash-Shāhidīna [21.56] Hij antwoordde: "Neen, uw Heer is de Heer van de hemelen en van de aarde, Die deze schiep en ik leg getuigenis er van af." قَالَ بَل رَبُّكُمْ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضِ الَّذِي فَطَرَهُنَّ وَأَنَا عَلَى ذَلِكُمْ مِنَ الشَّاهِدِينَ
Wa Tālllahi La'akīdanna 'Aşnāmakum Ba`da 'An Tuwallū Mudbirīna [21.57] En, bij Allah, ik zal tegen uw afgoden een plan beramen nadat gij hun uw rug hebt toegewend." وَتَاللَّهِ لَأَكِيدَنَّ أَصْنَامَكُمْ بَعْدَ أَنْ تُوَلُّوا مُدْبِرِينَ
Faja`alahum Judhādhāan 'Illā Kabīrāan Lahum La`allahum 'Ilayhi Yarji`ūna [21.58] Alsdan brak hij ze in stukken, behalve de grootste daarvan, opdat zij zich tot hem zouden wenden. فَجَعَلَهُمْ جُذَاذا ً إِلاَّ كَبِيرا ً لَهُمْ لَعَلَّهُمْ إِلَيْهِ يَرْجِعُونَ
Qālū Man Fa`ala Hādhā Bi'ālihatinā 'Innahu Lamina Až-Žālimīna [21.59] (Toen zij dit zagen) zeiden zij: "Wie heeft dit onze Goden aangedaan? Voorwaar, hij moet een boosdoener zijn." قَالُوا مَنْ فَعَلَ هَذَا بِآلِهَتِنَا إِنَّه ُُ لَمِنَ الظَّالِمِينَ
Qālū Sami`nā Fatáan Yadhkuruhum Yuqālu Lahu 'Ibrāhīmu [21.60] Enigen hunner zeiden: "Wij hoorden een jonge man over hen spreken; hij heet Abraham." قَالُوا سَمِعْنَا فَتى ً يَذْكُرُهُمْ يُقَالُ لَهُ~ُ إِبْرَاهِيمُ
Qālū Fa'tū Bihi `Alá 'A`yuni An-Nāsi La`allahum Yash/hadūna [21.61] Zij zeiden: "Brengt hem dan voor de ogen des volks, opdat zij kunnen getuigen." قَالُوا فَأْتُوا بِه ِِ عَلَى أَعْيُنِ النَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَشْهَدُونَ
Qālū 'A'anta Fa`alta Hādhā Bi'ālihatinā Yā 'Ibrāhīmu [21.62] Zij vroegen: "Hebt gij dit onze Goden aangedaan, o Abraham?" قَالُوا أَأَنْتَ فَعَلْتَ هَذَا بِآلِهَتِنَا يَاإِبْرَاهِيمُ
Qāla Bal Fa`alahu Kabīruhumdhā Fās'alūhum 'In Kānū Yanţiqūna [21.63] Hij antwoordde: "Iemand heeft het gedaan; dit is de grootste van hen. Vraagt hen of zij kunnen spreken." قَالَ بَلْ فَعَلَه ُُ كَبِيرُهُمْ هَذَا فَاسْأَلُوهُمْ إِنْ كَانُوا يَنطِقُونَ
Faraja`ū 'Ilá 'Anfusihim Faqālū 'Innakum 'Antumu Až-Žālimūna [21.64] Toen kwamen zij tot inkeer en zeiden (bij zichzelf) "Gij zijt zelf de boosdoeners." فَرَجَعُوا إِلَى أَنفُسِهِمْ فَقَالُوا إِنَّكُمْ أَنْتُمُ الظَّالِمُونَ
Thumma Nukisū `Alá Ru'ūsihim Laqad `Alimta Mā Hā'uulā' Yanţiqūna [21.65] En zij lieten (beschaamd) het hoofd hangen, "Gij weet wel dat deze niet kunnen spreken." ثُمَّ نُكِسُوا عَلَى رُءُوسِهِمْ لَقَدْ عَلِمْتَ مَا هَاؤُلاَء يَنطِقُونَ
Qāla 'Afata`budūna Min Dūni Allāhi Mā Lā Yanfa`ukum Shay'āan Wa Lā Yađurrukum [21.66] Hij zeide: "Aanbidt gij dan in plaats van Allah datgene wat u geenszins kan baten noch schaden?" قَالَ أَفَتَعْبُدُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ مَا لاَ يَنفَعُكُمْ شَيْئا ً وَلاَ يَضُرُّكُمْ
'Uffin Lakum Wa Limā Ta`budūna Min Dūni Allāhi 'Afalā Ta`qilūna [21.67] "Schande over u en over hetgeen gij buiten Allah aanbidt. Hebt gij dan geen verstand?" أُفّ ٍ لَكُمْ وَلِمَا تَعْبُدُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ أَفَلاَ تَعْقِلُونَ
Qālū Ĥarriqūhu Wa Anşurū 'Ālihatakum 'In Kuntum Fā`ilīna [21.68] Zij zeiden: "Verbrandt hem en helpt uw goden indien gij iets wilt doen." قَالُوا حَرِّقُوه ُُ وَانصُرُوا آلِهَتَكُمْ إِنْ كُنتُمْ فَاعِلِينَ
Qulnā Yā Nāru Kūnī Bardāan Wa Salāmāan `Alá 'Ibrāhīma [21.69] Wij zeiden: "O vuur, wees koel en onschadelijk voor Abraham." قُلْنَا يَا نَارُ كُونِي بَرْدا ً وَسَلاَماً عَلَى إِبْرَاهِيمَ
Wa 'Arādū Bihi Kaydāan Faja`alnāhumu Al-'Akhsarīna [21.70] En zij wensten hem kwaad te doen doch Wij deden hen de grootste verliezers zijn. وَأَرَادُوا بِه ِِ كَيْدا ً فَجَعَلْنَاهُمُ الأَخْسَرِينَ
Wa Najjaynāhu Wa Lūţāan 'Ilá Al-'Arđi Allatī Bāraknā Fīhā Lil`ālamīna [21.71] En Wij redden hem en Lot en voerden hen naar het land dat Wij zegenden voor alle volkeren. وَنَجَّيْنَاه ُُ وَلُوطا ً إِلَى الأَرْضِ الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا لِلْعَالَمِينَ
Wa Wahabnā Lahu 'Isĥāqa Wa Ya`qūba Nāfilatan Wa Kullāan Ja`alnā Şāliĥīna [21.72] En Wij schonken hem Izaنk en Jacob als kleinzoon en Wij maakten hen allen rechtvaardig. وَوَهَبْنَا لَهُ~ُ إِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ نَافِلَة ً وَكُلاّ ً جَعَلْنَا صَالِحِينَ
Wa Ja`alnāhum 'A'immatan Yahdūna Bi'amrinā Wa 'Awĥaynā 'Ilayhim Fi`la Al-Khayrāti Wa 'Iqāma Aş-Şalāati Wa 'Ītā'a Az-Zakāati Wa Kānū Lanā `Ābidīna [21.73] En Wij maakten hen tot leiders die de mensen leidden op Ons bevel en Wij zonden een Openbaring tot hen, die aanspoorde, goede werken te doen, het gebed te onderhouden en aalmoezen te geven. En zij aanbaden Ons alleen. وَجَعَلْنَاهُمْ أَئِمَّة ً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا وَأَوْحَيْنَا إِلَيْهِمْ فِعْلَ الْخَيْرَاتِ وَإِقَامَ الصَّلاَةِ وَإِيتَاءَ الزَّكَاةِ وَكَانُوا لَنَا عَابِدِينَ
Wa Lūţāan 'Ātaynāhu Ĥukmāan Wa `Ilmāan Wa Najjaynāhu Mina Al-Qaryati Allatī Kānat Ta`malu Al-Khabā'itha 'Innahum Kānū Qawma Saw'in Fāsiqīna [21.74] En aan Lot schonken Wij wijsheid en kennis. En Wij bevrijdden hem uit de stad die gruwelijk handelde. Zij waren inderdaad een boos en opstandig volk. وَلُوطا ً آتَيْنَاه ُُ حُكْما ً وَعِلْما ً وَنَجَّيْنَاه ُُ مِنَ الْقَرْيَةِ الَّتِي كَانَتْ تَعْمَلُ الْخَبَائِثَ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمَ سَوْء ٍ فَاسِقِينَ
Wa 'Adkhalnāhu Fī Raĥmatinā 'Innahu Mina Aş-Şāliĥīna [21.75] En Wij namen hem in Onze barmhartigheid op, want hij was een der rechtvaardigen. وَأَدْخَلْنَاه ُُ فِي رَحْمَتِنَا إِنَّه ُُ مِنَ الصَّالِحِينَ
Wa Nūĥāan 'Idh Nādá Min Qablu Fāstajabnā Lahu Fanajjaynāhu Wa 'Ahlahu Mina Al-Karbi Al-`Ažīmi [21.76] En toen Noach voordien riep, verhoorden Wij zijn gebed en redden hem en zijn gezin uit de grote ramp. وَنُوحا ً إِذْ نَادَى مِنْ قَبْلُ فَاسْتَجَبْنَا لَه ُُ فَنَجَّيْنَاه ُُ وَأَهْلَه ُُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ
Wa Naşarnāhu Mina Al-Qawmi Al-Ladhīna Kadhdhabū Bi'āyātinā 'Innahum Kānū Qawma Saw'in Fa'aghraqnāhum 'Ajma`īna [21.77] En Wij stonden hem bij tegen degenen die Onze tekenen verloochenden. Zij waren voorzeker een slecht volk; derhalve verdronken Wij hen allen. وَنَصَرْنَاه ُُ مِنَ الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمَ سَوْء ٍ فَأَغْرَقْنَاهُمْ أَجْمَعِينَ
Wa Dāwūda Wa Sulaymāna 'Idh Yaĥkumāni Fī Al-Ĥarthi 'Idh Nafashat Fīhi Ghanamu Al-Qawmi Wa Kunnā Liĥukmihim Shāhidīna [21.78] En toen David en Salomo rechtspraken betreffende het veld waar de geiten van zekere mensen bij nacht graasden, waren Wij Getuige van hun oordeel. وَدَاوُودَ وَسُلَيْمَانَ إِذْ يَحْكُمَانِ فِي الْحَرْثِ إِذْ نَفَشَتْ فِيه ِِ غَنَمُ الْقَوْمِ وَكُنَّا لِحُكْمِهِمْ شَاهِدِينَ
Fafahhamnāhā Sulaymāna Wa Kullāan 'Ātaynā Ĥukmāan Wa `Ilmāan Wa Sakhkharnā Ma`a Dāwūda Al-Jibāla Yusabbiĥna Wa Aţ-Ţayra Wa Kunnā Fā`ilīna [21.79] Wij schonken Salomo begrip van de zaak en aan elk hunner schonken Wij wijsheid en kennis. En Wij noopten de bergen en de vogels om samen met David Gods heerlijkheid te loven. En Wij waren het, Die dat deden. فَفَهَّمْنَاهَا سُلَيْمَانَ وَكُلاّ ً آتَيْنَا حُكْما ً وَعِلْما ً وَسَخَّرْنَا مَعَ دَاوُودَ الْجِبَالَ يُسَبِّحْنَ وَالطَّيْرَ وَكُنَّا فَاعِلِينَ
Wa `Allamnāhu Şan`ata Labūsin Lakum Lituĥşinakum Min Ba'sikum Fahal 'Antum Shākirūna [21.80] En Wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken, opdat deze u zouden beschermen tegen aanvallen. Zult gij dan niet erkentelijk zijn? وَعَلَّمْنَاه ُُ صَنْعَةَ لَبُوس ٍ لَكُمْ لِتُحْصِنَكُمْ مِنْ بَأْسِكُمْ فَهَلْ أَنْتُمْ شَاكِرُونَ
Wa Lisulaymāna Ar-Rīĥa `Āşifatan Tajrī Bi'amrihi 'Ilá Al-'Arđi Allatī Bāraknā Fīhā Wa Kunnā Bikulli Shay'in `Ālimīna [21.81] En Wij maakten de geweldige wind aan Salomo onderdanig. Deze blies om zijnentwille in de richting van het land dat Wij hadden gezegend. En Wij bezitten kennis van alle dingen. وَلِسُلَيْمَانَ الرِّيحَ عَاصِفَة ً تَجْرِي بِأَمْرِهِ~ِ إِلَى الأَرْضِ الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا وَكُنَّا بِكُلِّ شَيْءٍ عَالِمِينَ
Wa Mina Ash-Shayāţīni Man Yaghūşūna Lahu Wa Ya`malūna `Amalāan Dūna Dhālika Wa Kunnā Lahum Ĥāfižīna [21.82] En Wij maakten onder de duivels, die voor hem doken en daarnaast andere arbeid verrichtten en Wij waren het die over hen waakten. وَمِنَ الشَّيَاطِينِ مَنْ يَغُوصُونَ لَه ُُ وَيَعْمَلُونَ عَمَلا ً دُونَ ذَلِكَ وَكُنَّا لَهُمْ حَافِظِينَ
Wa 'Ayyūba 'Idh Nādá Rabbahu 'Annī Massanī Ađ-Đurru Wa 'Anta 'Arĥamu Ar-Rāĥimīna [21.83] En (gedenk) Job toen hij tot zijn Heer riep, zeggende: "Kwelling heeft mij terneer geworpen en Gij zijt de Genadigste der genadigen." وَأَيُّوبَ إِذْ نَادَى رَبَّهُ~ُ أَنِّي مَسَّنِي الضُّرُّ وَأَنْتَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ
Fāstajabnā Lahu Fakashafnā Mā Bihi Min Đurrin Wa 'Ātaynāhu 'Ahlahu Wa Mithlahum Ma`ahum Raĥmatan Min `Indinā Wa Dhikrá Lil`ābidīna [21.84] Wij verhoorden daarom zijn gebed en bevrijdden hem van moeilijkheden en gaven hem de zijnen en het gelijke er van daarnevens, als een bewijs Onzer barmhartigheid en als een herinnering voor de vromen. فَاسْتَجَبْ