50) Sūrat Qāf

Printed format

50) سُورَة قَاف

Qāf Wa Al-Qur'āni Al-Majīdi [50.1] Qaaf. Bij de glorierijke Koran. قَاف وَالْقُرْآنِ الْمَجِيدِ
Bal `Ajibū 'An Jā'ahum Mundhirun Minhum Faqāla Al-Kāfirūna Hādhā Shay'un `Ajībun [50.2] Maar zij verwonderen zich dat er uit e hun midden een waarschuwer tot hen kwam. En de ongelovigen zeggen: "Dit is een zonderling iets! بَلْ عَجِبُوا أَنْ جَاءَهُمْ مُنْذِر ٌ مِنْهُمْ فَقَالَ الْكَافِرُونَ هَذَا شَيْءٌ عَجِيب ٌ
'A'idhā Mitnā Wa Kunnā Turābāan Dhālika Raj`un Ba`īdun [50.3] Zullen wij in het leven worden geroepen wanneer wij dood gaan en stof zijn geworden? Zulk een terugkeer is onmogelijk." أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابا ً ذَلِكَ رَجْع ٌ بَعِيد ٌ
Qad `Alimnā Mā Tanquşu Al-'Arđu Minhum Wa `Indanā Kitābun Ĥafīžun [50.4] Wij weten wat de aarde van hen verteert en bij Ons is een Boek dat alles bewaart. قَدْ عَلِمْنَا مَا تَنْقُصُ الأَرْضُ مِنْهُمْ وَعِنْدَنَا كِتَابٌ حَفِيظ ٌ
Bal Kadhdhabū Bil-Ĥaqqi Lammā Jā'ahum Fahum Fī 'Amrin Marījin [50.5] Neen, zij hebben de Waarheid verloochend toen deze tot hen kwam, derhalve zijn zij in een verwarde toestand geraakt. بَلْ كَذَّبُوا بِالْحَقِّ لَمَّا جَاءَهُمْ فَهُمْ فِي أَمْر ٍ مَرِيج ٍ
'Afalam Yanžurū 'Ilá As-Samā'i Fawqahum Kayfa Banaynāhā Wa Zayyannāhā Wa Mā Lahā Min Furūjin [50.6] Zien zij niet naar de hemel boven hen hoe Wij deze hebben opgericht en versierd en dat dezelve geen gebreken heeft? أَفَلَمْ يَنْظُرُوا إِلَى السَّمَاءِ فَوْقَهُمْ كَيْفَ بَنَيْنَاهَا وَزَيَّنَّاهَا وَمَا لَهَا مِنْ فُرُوج ٍ
Wa Al-'Arđa Madadnāhā Wa 'Alqaynā Fīhā Rawāsiya Wa 'Anbatnā Fīhā Min Kulli Zawjin Bahījin [50.7] En de aarde - Wij hebben haar uitgespreid en stevige bergen er op gevestigd en Wij hebben er elk prachtig gewas op doen groeien. وَالأَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَأَلْقَيْنَا فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنْبَتْنَا فِيهَا مِنْ كُلِّ زَوْج ٍ بَهِيج ٍ
Tabşiratan Wa Dhikrá Likulli `Abdin Munībin [50.8] Als inzicht en les voor iedere dienaar die zich er toe wendt. تَبْصِرَة ً وَذِكْرَى لِكُلِّ عَبْد ٍ مُنِيب ٍ
Wa Nazzalnā Mina As-Samā'i Mā'an Mubārakāan Fa'anbatnā Bihi Jannātin Wa Ĥabba Al-Ĥaşīdi [50.9] En Wij zenden water vol zegeningen uit de hemel neder en Wij brengen daarmee tuinen en graan voort waarvan kan worden geoogst وَنَزَّلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاء ً مُبَارَكا ً فَأَنْبَتْنَا بِه ِِ جَنَّات ٍ وَحَبَّ الْحَصِيدِ
Wa An-Nakhla Bāsiqātin Lahā Ţal`un Nađīdun [50.10] En hoge palmbomen met bloeikolve over elkander gegroeid وَالنَّخْلَ بَاسِقَات ٍ لَهَا طَلْع ٌ نَضِيد ٌ
Rizqāan Lil`ibādi Wa 'Aĥyaynā Bihi Baldatan Maytāan Kadhālika Al-Khurūju [50.11] Als voorziening voor Onze dienaren en Wij verkwikken daarmee een dood land. - Zo zal ook de Opstanding zijn. رِزْقا ً لِلْعِبَادِ وَأَحْيَيْنَا بِه ِِ بَلْدَة ً مَيْتا ً كَذَلِكَ الْخُرُوجُ
Kadhdhabat Qablahum Qawmu Nūĥin Wa 'Aşĥābu Ar-Rassi Wa Thamūdu [50.12] Vََr hen verloochende ook het volk van Noach, de mensen van de Bron en het volk van Samoed, كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوح ٍ وَأَصْحَابُ الرَّسِّ وَثَمُودُ
Wa `Ādun Wa Fir`awnu Wa 'Ikhwānu Lūţin [50.13] Het volk van Aad, en Pharao en de broeders van Lot eveneens, وَعَاد ٌ وَفِرْعَوْنُ وَإِخْوَانُ لُوط ٍ
Wa 'Aşĥābu Al-'Aykati Wa Qawmu Tubba`in Kullun Kadhdhaba Ar-Rusula Faĥaqqa Wa`īdi [50.14] En de Bosbewoners, en het volk van Tobba, elk hunner verloochende de boodschapper. Daarom ging de bedreiging in vervulling. وَأَصْحَابُ الأَيْكَةِ وَقَوْمُ تُبَّع ٍ كُلّ ٌ كَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ وَعِيدِ
'Afa`ayīnā Bil-Khalqi Al-'Awwali Bal Hum Fī Labsin Min Khalqin Jadīdin [50.15] Zijn Wij dan uitgeput door de eerste schepping? Neen, zij zijn in twijfel omtrent de nieuwe schepping. أَفَعَيِينَا بِالْخَلْقِ الأَوَّلِ بَلْ هُمْ فِي لَبْس ٍ مِنْ خَلْق ٍ جَدِيد ٍ
Wa Laqad Khalaq Al-'Insāna Wa Na`lamu Mā Tuwaswisu Bihi Nafsuhu Wa Naĥnu 'Aqrabu 'Ilayhi Min Ĥabli Al-Warīdi [50.16] En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn Ik hem toefluistert. En Wij zijn nader tot hem dan zijn halsader. وَلَقَدْ خَلَقْنَا الإِنسَانَ وَنَعْلَمُ مَا تُوَسْوِسُ بِه ِِ نَفْسُه ُُ وَنَحْنُ أَقْرَبُ إِلَيْهِ مِنْ حَبْلِ الْوَرِيدِ
'Idh Yatalaqqá Al-Mutalaqqiyāni `Ani Al-Yamīni Wa `Ani Ash-Shimāli Qa`īdun [50.17] Wanneer de twee (engelen) die te boek stellen, schrijven, zit de een aan de rechter-, de andere aan de linkerzijde. إِذْ يَتَلَقَّى الْمُتَلَقِّيَانِ عَنِ الْيَمِينِ وَعَنِ الشِّمَالِ قَعِيد ٌ
Mā Yalfižu Min Qawlin 'Illā Ladayhi Raqībun `Atīdun [50.18] Hij uit geen woord of er is een bewaker bij hem, die altijd klaar staat. مَا يَلْفِظُ مِنْ قَوْل ٍ إِلاَّ لَدَيْهِ رَقِيبٌ عَتِيد ٌ
Wa Jā'at Sakratu Al-Mawti Bil-Ĥaqqi Dhālika Mā Kunta Minhu Taĥīdu [50.19] En de bezwijming des doods komt waarlijk. "Dit is hetgeen gij wildet ontvrluchten." وَجَاءَتْ سَكْرَةُ الْمَوْتِ بِالْحَقِّ ذَلِكَ مَا كُنْتَ مِنْهُ تَحِيدُ
Wa Nufikha Fī Aş-Şūri Dhālika Yawmu Al-Wa`īdi [50.20] En er zal op de bazuin worden geblazen. "Dit is de Dag der Bedreiging." وَنُفِخَ فِي الصُّورِ ذَلِكَ يَوْمُ الْوَعِيدِ
Wa Jā'at Kullu Nafsin Ma`ahā Sā'iqun Wa Shahīdun [50.21] En iedere ziel zal tezamen komen met een geleider en een getuige. وَجَاءَتْ كُلُّ نَفْس ٍ مَعَهَا سَائِق ٌ وَشَهِيد ٌ
Laqad Kunta Fī Ghaflatin Min Hādhā Fakashafnā `Anka Ghā'aka Fabaşaruka Al-Yawma Ĥadīdun [50.22] Er zal worden gezegd: "Gij waart hieromtrent achteloos. Nu hebben Wij uw sluier van u weggenomen en uw oog ziet deze Dag scherp." لَقَدْ كُنْتَ فِي غَفْلَة ٍ مِنْ هَذَا فَكَشَفْنَا عَنْكَ غِطَاءَكَ فَبَصَرُكَ الْيَوْمَ حَدِيد ٌ
Wa Qāla Qarīnuhu Hādhā Mā Ladayya `Atīdun [50.23] En zijn metgezel zal zeggen: "Dit is hetgeen bij mij gereed is." وَقَالَ قَرِينُه ُُ هَذَا مَا لَدَيَّ عَتِيد ٌ
'Alqiyā Fī Jahannama Kulla Kaffārin `Anīdin [50.24] "Werpt, werpt in de hel elke ondankbare vijand. أَلْقِيَا فِي جَهَنَّمَ كُلَّ كَفَّارٍ عَنِيد ٍ
Mannā`in Lilkhayri Mu`tadin Murībin [50.25] "Die het goede belette, de overtreder, de twijfelaar, مَنَّاع ٍ لِلْخَيْرِ مُعْتَد ٍ مُرِيب ٍ
Al-Ladhī Ja`ala Ma`a Allāhi 'Ilahāan 'Ākhara Fa'alqiyāhu Fī Al-`Adhābi Ash-Shadīdi [50.26] "Die een andere God naast Allah oprichtte, doet hem de strenge marteling ondergaan." الَّذِي جَعَلَ مَعَ اللَّهِ إِلَها ً آخَرَ فَأَلْقِيَاه ُُ فِي الْعَذَابِ الشَّدِيدِ
Qāla Qarīnuhu Rabbanā Mā 'Aţghaytuhu Wa Lakin Kāna Fī Đalālin Ba`īdin [50.27] Zijn metgezel zal zeggen: "O, onze Heer, ik maakte hem niet opstandig maar hij was te ver afgedwaald." قَالَ قَرِينُه ُُ رَبَّنَا مَا أَطْغَيْتُه ُُ وَلَكِنْ كَانَ فِي ضَلاَل ٍ بَعِيد ٍ
Qāla Lā Takhtaşimū Ladayya Wa Qad Qaddamtu 'Ilaykum Bil-Wa`īdi [50.28] God zal antwoorden: "Redetwist niet in Mijn tegenwoordigheid, terwijl Ik u de waarschuwing vooraf heb gezonden. قَالَ لاَ تَخْتَصِمُوا لَدَيَّ وَقَدْ قَدَّمْتُ إِلَيْكُمْ بِالْوَعِيدِ
Mā Yubaddalu Al-Qawlu Ladayya Wa Mā 'Anā Bižallāmin Lil`abīdi [50.29] Het vonnis door Mij geveld kan niet worden veranderd en Ik ben in het geheel niet onrechtvaardig jegens Mijn dienaren." مَا يُبَدَّلُ الْقَوْلُ لَدَيَّ وَمَا أَنَا بِظَلاَّم ٍ لِلْعَبِيدِ
Yawma Naqūlu Lijahannama Hal Amtala'ti Wa Taqūlu Hal Min Mazīdin [50.30] Op die Dag zullen Wij tot de hel zeggen: "Zijt gij gevuld?" En zij zal antwoorden: "Is er nog iets?" يَوْمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلْ امْتَلَأْتِ وَتَقُولُ هَلْ مِنْ مَزِيد ٍ
Wa 'Uzlifati Al-Jannatu Lilmuttaqīna Ghayra Ba`īdin [50.31] En de Hemel zal dicht bij de rechtvaardigen worden gebracht en niet ver verwijderd. وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ غَيْرَ بَعِيد ٍ
dhā Mā Tū`adūna Likulli 'Awwābin Ĥafīžin [50.32] Dit is hetgeen was beloofd voor een ieder die zich bekeerde en die waakzaam was, هَذَا مَا تُوعَدُونَ لِكُلِّ أَوَّابٍ حَفِيظ ٍ
Man Khashiya Ar-Raĥmana Bil-Ghaybi Wa Jā'a Biqalbin Munībin [50.33] Die de Barmhartige in het verborgene vreesde en met een berouwvol hart tot Hem kwam. مَنْ خَشِيَ الرَّحْمَنَ بِالْغَيْبِ وَجَاءَ بِقَلْب ٍ مُنِيب ٍ
Adkhulūhā Bisalāmin Dhālika Yawmu Al-Khulūdi [50.34] Gaat hier in vrede binnen. Dit is de Dag der Eeuwigheid. ادْخُلُوهَا بِسَلاَم ٍ ذَلِكَ يَوْمُ الْخُلُودِ
Lahum Mā Yashā'ūna Fīhā Wa Ladaynā Mazīdun [50.35] Voor hen zal daarin zijn wat zij wensen en bij Ons is nog meer. لَهُمْ مَا يَشَاءُونَ فِيهَا وَلَدَيْنَا مَزِيد ٌ
Wa Kam 'Ahlaknā Qablahum Min Qarnin Hum 'Ashaddu Minhum Baţshāan Fanaqqabū Fī Al-Bilādi Hal Min Maĥīşin [50.36] Maar hoevele geslachten hebben Wij (niet) vََr hen vernietigd, die machtiger in gezag waren dan dezen! Zij trokken door het land, maar was er een toevluchtsoord voor hen? وَكَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُمْ مِنْ قَرْنٍ هُمْ أَشَدُّ مِنْهُمْ بَطْشا ً فَنَقَّبُوا فِي الْبِلاَدِ هَلْ مِنْ مَحِيص ٍ
'Inna Fī Dhālika Ladhikrá Liman Kāna Lahu Qalbun 'Aw 'Alqá As-Sam`a Wa Huwa Shahīdun [50.37] Daarin is voorwaar een vermaning voor hem die een hart heeft of die luistert en oplettend is. إِنَّ فِي ذَلِكَ لَذِكْرَى لِمَنْ كَانَ لَه ُُ قَلْبٌ أَوْ أَلْقَى السَّمْعَ وَهُوَ شَهِيد ٌ
Wa Laqad Khalaq As-Samāwāti Wa Al-'Arđa Wa Mā Baynahumā Fī Sittati 'Ayyāmin Wa Mā Massanā Min Lughūbin [50.38] En voorwaar, Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is in zes dagen en geen vermoeidheid raakte Ons. وَلَقَدْ خَلَقْنَا السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا فِي سِتَّةِ أَيَّام ٍ وَمَا مَسَّنَا مِنْ لُغُوب ٍ
Fāşbir `Alá Mā Yaqūlūna Wa Sabbiĥ Biĥamdi Rabbika Qabla Ţulū`i Ash-Shamsi Wa Qabla Al-Ghurūbi [50.39] Heb dus geduld met wat zij zeggen en verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt, vََr zonsop- en ondergang. فَاصْبِرْ عَلَى مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ قَبْلَ طُلُوعِ الشَّمْسِ وَقَبْلَ الْغُرُوبِ
Wa Mina Al-Layli Fasabbiĥhu Wa 'Adbāra As-Sujūdi [50.40] En verheerlijk Hem 's nachts en na de gebeden. وَمِنَ اللَّيْلِ فَسَبِّحْهُ وَأَدْبَارَ السُّجُودِ
Wa Astami` Yawma Yunādi Al-Munādi Min Makānin Qarībin [50.41] En luister! De Dag, waarop de omroeper vanuit een dichtbijzijnde plaats zal roepen, وَاسْتَمِعْ يَوْمَ يُنَادِ الْمُنَادِ مِنْ مَكَان ٍ قَرِيب ٍ
Yawma Yasma`ūna Aş-Şayĥata Bil-Ĥaqqi Dhālika Yawmu Al-Khurūji [50.42] De Dag, waarop zij de kreet in werkelijkheid zullen horen, dat zal de Tijd zijn van het voor den dag komen. يَوْمَ يَسْمَعُونَ الصَّيْحَةَ بِالْحَقِّ ذَلِكَ يَوْمُ الْخُرُوجِ
'Innā Naĥnu Nuĥyī Wa Numītu Wa 'Ilaynā Al-Maşīru [50.43] Voorwaar, Wij zijn het die leven geven en de dood veroorzaken, en tot Ons is de terugkeer. إِنَّا نَحْنُ نُحْيِي وَنُمِيتُ وَإِلَيْنَا الْمَصِيرُ
Yawma Tashaqqaqu Al-'Arđu `Anhum Sirā`āan Dhālika Ĥashrun `Alaynā Yasīrun [50.44] De Dag, waarop de aarde onder hen vaneen zal splijten, is het verzamelen gemakkelijk voor Ons. يَوْمَ تَشَقَّقُ الأَرْضُ عَنْهُمْ سِرَاعا ً ذَلِكَ حَشْرٌ عَلَيْنَا يَسِير ٌ
Naĥnu 'A`lamu Bimā Yaqūlūna Wa Mā 'Anta `Alayhim Bijabbārin Fadhakkir Bil-Qur'āni Man Yakhāfu Wa`īdi [50.45] Wij weten het beste wat zij zeggen en gij zijt er niet om hen te dwingen. Vermaan dus met de Koran hem die Mijn bedreiging vreest. duttext In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَقُولُونَ وَمَا أَنْتَ عَلَيْهِمْ بِجَبَّار ٍ فَذَكِّرْ بِالْقُرْآنِ مَنْ يَخَافُ وَعِيدِ
Next Sūrah