Al-Ladhīna Kafarū Wa Şaddū `An Sabīli Allāhi 'Ađalla 'A`mālahum  | [47.1] Zij, die (de Waarheid) verwerpen en mensen van Allah's weg afleiden, hun werk zal Hij vruchteloos maken. | الَّذِينَ كَفَرُوا وَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ أَضَلَّ أَعْمَالَهُمْ |
Wa Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Wa 'Āmanū Bimā Nuzzila `Alá Muĥammadin Wa Huwa Al-Ĥaqqu Min Rabbihim Kaffara `Anhum Sayyi'ātihim Wa 'Aşlaĥa Bālahum  | [47.2] Maar zij, die geloven en goede werken doen en in hetgeen aan Mohammed is ge openbaard, geloven - dit is de Waarheid van hun Heer - hun fouten zal Hij van hen wegnemen en hun toestand verbeteren. | وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَآمَنُوا بِمَا نُزِّلَ عَلَى مُحَمَّد ٍ وَهُوَ الْحَقُّ مِنْ رَبِّهِمْ كَفَّرَ عَنْهُمْ سَيِّئَاتِهِمْ وَأَصْلَحَ بَالَهُمْ |
Dhālika Bi'anna Al-Ladhīna Kafarū Attaba`ū Al-Bāţila Wa 'Anna Al-Ladhīna 'Āmanū Attaba`ū Al-Ĥaqqa Min Rabbihim Kadhālika Yađribu Allāhu Lilnnāsi 'Amthālahum  | [47.3] Dat is omdat de ongelovigen de leugen volgen, terwijl de gelovigen de Waarheid van hun Heer volgen. Zo deelt Allah aan de mensen hun toestand mede. | ذَلِكَ بِأَنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا اتَّبَعُوا الْبَاطِلَ وَأَنَّ الَّذِينَ آمَنُوا اتَّبَعُوا الْحَقَّ مِنْ رَبِّهِمْ كَذَلِكَ يَضْرِبُ اللَّهُ لِلنَّاسِ أَمْثَالَهُمْ |
Fa'idhā Laqītumu Al-Ladhīna Kafarū Fađarba Ar-Riqābi Ĥattá 'Idhā 'Athkhantumūhum Fashuddū Al-Wathāqa Fa'immā Mannāan Ba`du Wa 'Immā Fidā'an Ĥattá Tađa`a Al-Ĥarbu 'Awzārahā Dhālika Wa Law Yashā'u Allāhu Lāntaşara Minhum Wa Lakin Liyabluwa Ba`đakum Biba`đin Wa Al-Ladhīna Qutilū Fī Sabīli Allāhi Falan Yuđilla 'A`mālahum  | [47.4] Wanneer gij de ongelovigen (in oorlog) ontmoet, treft dan hun nek en wanneer gij overwinnaar zijt, bindt hen dan vast. En wanneer de oorlog opgehouden is, laat hen dan vrij uit gunst of voor een losprijs. Zo zij het. En indien Allah wilde, had Hij hen Zelf kunnen bestraffen. Doch Hij wilde sommigen uwer door anderen op de proef stellen. En degenen die terwille van Allah worden gedood, hun werken zal Hij zeker niet vruchteloos maken. | فَإِذا لَقِيتُمُ الَّذِينَ كَفَرُوا فَضَرْبَ الرِّقَابِ حَتَّى إِذَا أَثْخَنتُمُوهُمْ فَشُدُّوا الْوَثَاقَ فَإِمَّا مَنّا ً بَعْدُ وَإِمَّا فِدَاءً حَتَّى تَضَعَ الْحَرْبُ أَوْزَارَهَا ذَلِكَ وَلَوْ يَشَاءُ اللَّهُ لاَنتَصَرَ مِنْهُمْ وَلَكِنْ لِيَبْلُوَ بَعْضَكُمْ بِبَعْض ٍ وَالَّذِينَ قُتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ فَلَنْ يُضِلَّ أَعْمَالَهُمْ |
Sayahdīhim Wa Yuşliĥu Bālahum  | [47.5] Hij zal hen leiden en hun toestand verbeteren. | سَيَهْدِيهِمْ وَيُصْلِحُ بَالَهُمْ |
Wa Yudkhiluhumu Al-Jannata `Arrafahā Lahum  | [47.6] En hen in het paradijs, dat Hij hun heeft bekend gemaakt, toelaten. | وَيُدْخِلُهُمُ الْجَنَّةَ عَرَّفَهَا لَهُمْ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'In Tanşurū Allāha Yanşurkum Wa Yuthabbit 'Aqdāmakum  | [47.7] O gij, die gelooft, indien gij de zaak van Allah steunt zal Hij u helpen en standvastig doen blijven. | يَاأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنْ تَنصُرُوا اللَّهَ يَنصُرْكُمْ وَيُثَبِّتْ أَقْدَامَكُمْ |
Wa Al-Ladhīna Kafarū Fata`sāan Lahum Wa 'Ađalla 'A`mālahum  | [47.8] Maar de ongelovigen wacht vernietiging en Hij zal hun werken vruchteloos maken. | وَالَّذِينَ كَفَرُوا فَتَعْسا ً لَهُمْ وَأَضَلَّ أَعْمَالَهُمْ |
Dhālika Bi'annahum Karihū Mā 'Anzala Allāhu Fa'aĥbaţa 'A`mālahum  | [47.9] Dat is omdat zij, hetgeen Allah heeft geopenbaard, haten, daarom maakte Hij hun werken vruchteloos. | ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ كَرِهُوا مَا أَنزَلَ اللَّهُ فَأَحْبَطَ أَعْمَالَهُمْ |
'Afalam Yasīrū Fī Al-'Arđi Fayanžurū Kayfa Kāna `Āqibatu Al-Ladhīna Min Qablihim Dammara Allāhu `Alayhim Wa Lilkāfirīna 'Amthāluhā  | [47.10] Hebben zij op aarde niet gereisd en gezien wat het einde was van degenen, die vََr hen waren? Allah vernietigde hen geheel en hetzelfde zal voor de ongelovigen gelden. | أَفَلَمْ يَسِيرُوا فِي الأَرْضِ فَيَنظُرُوا كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الَّذِينَ مِنْ قَبْلِهِمْ دَمَّرَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ وَلِلْكَافِرِينَ أَمْثَالُهَا |
Dhālika Bi'anna Allāha Mawlá Al-Ladhīna 'Āmanū Wa 'Anna Al-Kāfirīna Lā Mawlá Lahum  | [47.11] Dat is, omdat Allah de Beschermer is van de gelovigen en voor de ongelovigen is er geen Beschermer. | ذَلِكَ بِأَنَّ اللَّهَ مَوْلَى الَّذِينَ آمَنُوا وَأَنَّ الْكَافِرِينَ لاَ مَوْلَى لَهُمْ |
'Inna Allāha Yudkhilu Al-Ladhīna 'Āmanū Wa `Amilū Aş-Şāliĥāti Jannātin Tajrī Min Taĥtihā Al-'Anhāru Wa Al-Ladhīna Kafarū Yatamatta`ūna Wa Ya'kulūna Kamā Ta'kulu Al-'An`ām Wa An-Nāru Mathwáan Lahum  | [47.12] Voorwaar, Allah zal hen die geloven en goede werken doen in het paradijs toelaten, waardoorheen rivieren vloeien: terwijl de ongelovigen zich vermaken en eten zoals het vee; het Vuur zal hun tehuis zijn. | إِنَّ اللَّهَ يُدْخِلُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جَنَّات ٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأَنْهَارُ وَالَّذِينَ كَفَرُوا يَتَمَتَّعُونَ وَيَأْكُلُونَ كَمَا تَأْكُلُ الأَنعَام وَالنَّارُ مَثْوى ً لَهُمْ |
Wa Ka'ayyin Min Qaryatin Hiya 'Ashaddu Qūwatan Min Qaryatika Allatī 'Akhrajatka 'Ahlaknāhum Falā Nāşira Lahum  | [47.13] En hoevele steden die sterker waren dan de stad die u heeft uitgedreven, hebben Wij vernietigd, en zij hadden geen helper! | وَكَأَيِّنْ مِنْ قَرْيَةٍ هِيَ أَشَدُّ قُوَّة ً مِنْ قَرْيَتِكَ الَّتِي أَخْرَجَتْكَ أَهْلَكْنَاهُمْ فَلاَ نَاصِرَ لَهُمْ |
'Afaman Kāna `Alá Bayyinatin Min Rabbihi Kaman Zuyyina Lahu Sū'u `Amalihi Wa Attaba`ū 'Ahwā'ahum  | [47.14] Zijn zij die op een duidelijk bewijs van hun Heer steunen als zij voor wie hun slechte daden schoonschijnend zijn gemaakt en die hun eigen begeerten volgen? | أَفَمَنْ كَانَ عَلَى بَيِّنَة ٍ مِنْ رَبِّه ِِ كَمَنْ زُيِّنَ لَه ُُ سُوءُ عَمَلِه ِِ وَاتَّبَعُوا أَهْوَاءَهُمْ |
Mathalu Al-Jannati Allatī Wu`ida Al-Muttaqūna Fīhā 'Anhārun Min Mā'in Ghayri 'Āsinin Wa 'Anhārun Min Labanin Lam Yataghayyar Ţa`muhu Wa 'Anhārun Min Khamrin Ladhdhatin Lilshshāribīna Wa 'Anhārun Min `Asalin Muşaffáan Wa Lahum Fīhā Min Kulli Ath-Thamarāti Wa Maghfiratun Min Rabbihim Kaman Huwa Khālidun Fī An-Nāri Wa Suqū Mā'an Ĥamīmāan Faqaţţa`a 'Am`ā'ahum  | [47.15] Het beeld van het paradijs dat aan de godvruchtigen is beloofd: er zijn daarin stromen water dat niet bederft; en stromen melk waarvan de smaak niet verandert en stromen wijn, smakelijk voor degenen die drinken en rivieren van zuivere honing. En zij zullen er allerlei vruchten in hebben en vergiffenis van hun Heer. Kunnen zij gelijk zijn aan degenen die in het Vuur vertoeven en die kokend water te drinken krijgen zodat het hun ingewanden verscheurt? | مَثَلُ الْجَنَّةِ الَّتِي وُعِدَ الْمُتَّقُونَ فِيهَا أَنْهَار ٌ مِنْ مَاءٍ غَيْرِ آسِن ٍ وَأَنْهَار ٌ مِنْ لَبَن ٍ لَمْ يَتَغَيَّرْ طَعْمُه ُُ وَأَنْهَار ٌ مِنْ خَمْر ٍ لَذَّة ٍ لِلشَّارِبِينَ وَأَنْهَار ٌ مِنْ عَسَل ٍ مُصَفّى ً وَلَهُمْ فِيهَا مِنْ كُلِّ الثَّمَرَاتِ وَمَغْفِرَة ٌ مِنْ رَبِّهِمْ كَمَنْ هُوَ خَالِد ٌ فِي النَّارِ وَسُقُوا مَاءً حَمِيما ً فَقَطَّعَ أَمْعَاءَهُمْ |
Wa Minhum Man Yastami`u 'Ilayka Ĥattá 'Idhā Kharajū Min `Indika Qālū Lilladhīna 'Ūtū Al-`Ilma Mādhā Qāla 'Ānifāan 'Ūlā'ika Al-Ladhīna Ţaba`a Allāhu `Alá Qulūbihim Wa Attaba`ū 'Ahwā'ahum  | [47.16] En sommigen onder hen luisteren naar u doch wanneer zij van u weggaan, zeggen zij tot hen aan wie kennis is gegeven: "Wat zeide hij zo juist?" Allah heeft hun hart verzegeld, zij volgen hun eigen neigingen. | وَمِنْهُمْ مَنْ يَسْتَمِعُ إِلَيْكَ حَتَّى إِذَا خَرَجُوا مِنْ عِنْدِكَ قَالُوا لِلَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ مَاذَا قَالَ آنِفاً أُوْلَائِكَ الَّذِينَ طَبَعَ اللَّهُ عَلَى قُلُوبِهِمْ وَاتَّبَعُوا أَهْوَاءَهُمْ |
Wa Al-Ladhīna Ahtadaw Zādahum Hudáan Wa 'Ātāhum Taqwhum  | [47.17] Maar van hen die de leiding volgen vermeerdert Hij de leiding en schenkt hun rechtvaardigheid. | وَالَّذِينَ اهْتَدَوْا زَادَهُمْ هُدى ً وَآتَاهُمْ تَقْواهُمْ |
Fahal Yanžurūna 'Illā As-Sā`ata 'An Ta'tiyahum Baghtatan Faqad Jā'a 'Ashrāţuhā Fa'anná Lahum 'Idhā Jā'at/hum Dhikrāhum  | [47.18] Zij (de ongelovigen) wachten op niets dan het Uur dat onverwachts over hen kan komen. De tekenen er van zijn reeds gekomen, maar hoe zal voor hen de herinnering zijn wanneer het (Uur) werkelijk tot hen komt? | فَهَلْ يَنْظُرُونَ إِلاَّ السَّاعَةَ أَنْ تَأْتِيَهُمْ بَغْتَة ً فَقَدْ جَاءَ أَشْرَاطُهَا فَأَنَّى لَهُمْ إِذَا جَاءَتْهُمْ ذِكْرَاهُمْ |
Fā`lam 'Annahu Lā 'Ilāha 'Illā Allāhu Wa Astaghfir Lidhanbika Wa Lilmu'uminīna Wa Al-Mu'umināti Wa Allāhu Ya`lamu Mutaqallabakum Wa Mathwākum  | [47.19] Weet, dat er buiten Allah geen God bestaat en vraag bescherming voor uw tekortkoming en voor die van gelovige mannen en vrouwen. Allah kent de plaats uwer handelingen en uw rustplaats. | فَاعْلَمْ أَنَّهُ لاَ إِلَهَ~َ إِلاَّ اللَّهُ وَاسْتَغْفِرْ لِذَنْبِكَ وَلِلْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ مُتَقَلَّبَكُمْ وَمَثْوَاكُمْ |
Wa Yaqūlu Al-Ladhīna 'Āmanū Lawlā Nuzzilat Sūratun Fa'idhā 'Unzilat Sūratun Muĥkamatun Wa Dhukira Fīhā Al-Qitālu Ra'ayta Al-Ladhīna Fī Qulūbihim Marađun Yanžurūna 'Ilayka Nažara Al-Maghshīyi `Alayhi Mina Al-Mawti Fa'awlá Lahum  | [47.20] En de gelovigen zeggen: "Waarom is er geen Soerah geopenbaard?" Maar wanneer een beslissende Soerah wordt geopenbaard en daarin over vechten wordt gesproken, zult gij hen in wier hart een ziekte is naar u zien kijken als iemand die bezwijmt in de dood. Maar voor hen ware het beter, | وَيَقُولُ الَّذِينَ آمَنُوا لَوْلاَ نُزِّلَتْ سُورَة ٌ فَإِذَا أُنزِلَتْ سُورَة ٌ مُحْكَمَة ٌ وَذُكِرَ فِيهَا الْقِتَالُ رَأَيْتَ الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَض ٌ يَنظُرُونَ إِلَيْكَ نَظَرَ الْمَغْشِيِّ عَلَيْهِ مِنَ الْمَوْتِ فَأَوْلَى لَهُمْ |
Ţā`atun Wa Qawlun Ma`rūfun Fa'idhā `Azama Al-'Amru Falaw Şadaqū Allāha Lakāna Khayrāan Lahum  | [47.21] Gehoorzaamheid (te betonen) en goede woorden (te spreken). En wanneer de zaak is beslecht, is het voor hen beter indien zij Allah trouw blijven. | طَاعَة ٌ وَقَوْل ٌ مَعْرُوف ٌ فَإِذَا عَزَمَ الأَمْرُ فَلَوْ صَدَقُوا اللَّهَ لَكَانَ خَيْرا ً لَهُمْ |
Fahal `Asaytum 'In Tawallaytum 'An Tufsidū Fī Al-'Arđi Wa Tuqaţţi`ū 'Arĥāmakum  | [47.22] Zult gij dan niet door u af te wenden verderf in het land brengen en uw familiebanden verbreken? | فَهَلْ عَسَيْتُمْ إِنْ تَوَلَّيْتُمْ أَنْ تُفْسِدُوا فِي الأَرْضِ وَتُقَطِّعُوا أَرْحَامَكُمْ |
'Ūlā'ika Al-Ladhīna La`anahumu Allāhu Fa'aşammahum Wa 'A`má 'Abşārahum  | [47.23] Dezen zijn het, die Allah heeft vervloekt, zodat Hij hen doof heeft gemaakt en hun ogen verblind. | أُوْلَائِكَ الَّذِينَ لَعَنَهُمُ اللَّهُ فَأَصَمَّهُمْ وَأَعْمَى أَبْصَارَهُمْ |
'Afalā Yatadabbarūna Al-Qur'āna 'Am `Alá Qulūbin 'Aqfāluhā  | [47.24] Willen zij dan niet over de Koran nadenken, of zijn er sloten op hun hart? | أَفَلاَ يَتَدَبَّرُونَ الْقُرْآنَ أَمْ عَلَى قُلُوبٍ أَقْفَالُهَا |
'Inna Al-Ladhīna Artaddū `Alá 'Adbārihim Min Ba`di Mā Tabayyana Lahumu Al-Hudá Ash-Shayţānu Sawwala Lahum Wa 'Amlá Lahum  | [47.25] Waarlijk, voor hen die hun rug omkeren nadat de leiding hun duidelijk is geworden, heeft Satan het gemakkelijk gemaakt en hun verlangens opgewekt. | إِنَّ الَّذِينَ ارْتَدُّوا عَلَى أَدْبَارِهِمْ مِنْ بَعْدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمُ الْهُدَى الشَّيْطَانُ سَوَّلَ لَهُمْ وَأَمْلَى لَهُمْ |
Dhālika Bi'annahum Qālū Lilladhīna Karihū Mā Nazzala Allāhu Sanuţī`ukum Fī Ba`đi Al-'Amri Wa Allāhu Ya`lamu 'Isrārahum  | [47.26] Dat is doordat zij tot degenen die haten wat Allah heeft geopenbaard, zeggen: "Wij willen u in sommige zaken gehoorzamen." Maar Allah kent hun geheimen. | ذَلِكَ بِأَنَّهُمْ قَالُوا لِلَّذِينَ كَرِهُوا مَا نَزَّلَ اللَّهُ سَنُطِيعُكُمْ فِي بَعْضِ الأَمْرِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ إِسْرَارَهُمْ |
Fakayfa 'Idhā Tawaffat/humu Al-Malā'ikatu Yađribūna Wujūhahum Wa 'Adbārahum  | [47.27] En hoe (zal het zjin) wanneer de engelen bij de dood hun ziel zullen nemen, hun aangezicht en hun rug treffend? | فَكَيْفَ إِذَا تَوَفَّتْهُمُ الْمَلاَئِكَةُ يَضْرِبُونَ وُجُوهَهُمْ وَأَدْبَارَهُمْ |
Dhālika Bi'annahumu Attaba`ū Mā 'Askhaţa Allāha Wa Karihū Riđwānahu Fa'aĥbaţa 'A`mālahum  | [47.28] Omdat zij datgene volgen wat Allah vertoornt en haten wat Hem behaagt, daarom heeft Hij hun werken vruchteloos gemaakt. | ذَلِكَ بِأَنَّهُمُ اتَّبَعُوا مَا أَسْخَطَ اللَّهَ وَكَرِهُوا رِضْوَانَه ُُ فَأَحْبَطَ أَعْمَالَهُمْ |
'Am Ĥasiba Al-Ladhīna Fī Qulūbihim Marađun 'An Lan Yukhrija Allāhu 'Ađghānahum  | [47.29] Denken zij wier hart ziek is, dat Allah hun boosaardigheden niet aan het licht zou brengen? | أَمْ حَسِبَ الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ أَنْ لَنْ يُخْرِجَ اللَّهُ أَضْغَانَهُمْ |
Wa Law Nashā'u La'araynākahum Fala`araftahum Bisīmāhum Wa Lata`rifannahum Fī Laĥni Al-Qawli Wa Allāhu Ya`lamu 'A`mālakum  | [47.30] En indien Wij wilden, konden Wij hen (de huichelaars) aan u tonen, zodat gij hen aan hun merkteken zoudt kennen. Maar gij zult hen gewis aan hun woorden herkennen. En Allah heeft kennis van hetgeen gij doet. | وَلَوْ نَشَاءُ لَأَرَيْنَاكَهُمْ فَلَعَرَفْتَهُمْ بِسِيمَاهُمْ وَلَتَعْرِفَنَّهُمْ فِي لَحْنِ الْقَوْلِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ أَعْمَالَكُمْ |
Wa Lanabluwannakum Ĥattá Na`lama Al-Mujāhidīna Minkum Wa Aş-Şābirīna Wa Nabluwa 'Akhbārakum  | [47.31] En Wij zullen u zeker beproeven totdat Wij diegenen onder u onderscheiden die ijverig streven en standvastig zijn. En Wij zullen uw feiten aan u openbaar maken. | وَلَنَبْلُوَنَّكُمْ حَتَّى نَعْلَمَ الْمُجَاهِدِينَ مِنْكُمْ وَالصَّابِرِينَ وَنَبْلُوَ أَخْبَارَكُمْ |
'Inna Al-Ladhīna Kafarū Wa Şaddū `An Sabīli Allāhi Wa Shāqqū Ar-Rasūla Min Ba`di Mā Tabayyana Lahumu Al-Hudá Lan Yađurrū Allāha Shay'āan Wa Sayuĥbiţu 'A`mālahum  | [47.32] Voorzeker, zij die niet geloven en (anderen) van Allah's pad afleiden en die de boodschapper tegenwerken, nadat de leiding hun duidelijk is geworden, zullen Allah stellig niet schaden doch Hij zal hun werken vruchteloos maken. | إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا وَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ وَشَاقُّوا الرَّسُولَ مِنْ بَعْدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمُ الهُدَى لَنْ يَضُرُّوا اللَّهَ شَيْئا ً وَسَيُحْبِطُ أَعْمَالَهُمْ |
Yā 'Ayyuhā Al-Ladhīna 'Āmanū 'Aţī`ū Allāha Wa 'Aţī`ū Ar-Rasūla Wa Lā Tubţilū 'A`mālakum  | [47.33] O. gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en de boodschapper en maakt uw werken niet nutteloos. | يَاأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا أَطِيعُوا اللَّهَ وَأَطِيعُوا الرَّسُولَ وَلاَ تُبْطِلُوا أَعْمَالَكُمْ |
'Inna Al-Ladhīna Kafarū Wa Şaddū `An Sabīli Allāhi Thumma Mātū Wa Hum Kuffārun Falan Yaghfira Allāhu Lahum  | [47.34] Waarlijk, de ongelovigen, die van het pad van Allah afleiden en sterven, terwiil zij ongelovig zijn, Allah zal hen zeker niet vergeven. | إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا وَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ ثُمَّ مَاتُوا وَهُمْ كُفَّار ٌ فَلَنْ يَغْفِرَ اللَّهُ لَهُمْ |
Falā Tahinū Wa Tad`ū 'Ilá As-Salmi Wa 'Antumu Al-'A`lawna Wa Allāhu Ma`akum Wa Lan Yatirakum 'A`mālakum  | [47.35] Weifelt daarom niet noch roept om vrede, want gij zult de overhand hebben. Allah is met u en Hij zal uw daden niet teniet doen. | فَلاَ تَهِنُوا وَتَدْعُوا إِلَى السَّلْمِ وَأَنْتُمُ الأَعْلَوْنَ وَاللَّهُ مَعَكُمْ وَلَنْ يَتِرَكُمْ أَعْمَالَكُمْ |
'Innamā Al-Ĥayāatu Ad-Dunyā La`ibun Wa Lahwun Wa 'In Tu'uminū Wa Tattaqū Yu'utikum 'Ujūrakum Wa Lā Yas'alkum 'Amwālakum  | [47.36] Het leven dezer wereld is slechts een spel en een (ijdel) vermaak, en indien gij gelooft en (God) vreest, zal Hij u belonen en zal u niet om uw (gehele) bezit vragen. | إِنَّمَا الحَيَاةُ الدُّنْيَا لَعِب ٌ وَلَهْو ٌ وَإِنْ تُؤْمِنُوا وَتَتَّقُوا يُؤْتِكُمْ أُجُورَكُمْ وَلاَ يَسْأَلْكُمْ أَمْوَالَكُمْ |
'In Yas'alkumūhā Fayuĥfikum Tabkhalū Wa Yukhrij 'Ađghānakum  | [47.37] Want indien Hij dit van u zou vragen en er op zou aandringen, zoudt gij vrekkig worden en Hij zou uw boosaardigheden aan het licht brengen. | إِنْ يَسْأَلْكُمُوهَا فَيُحْفِكُمْ تَبْخَلُوا وَيُخْرِجْ أَضْغَانَكُمْ |
Hā'antum Hā'uulā' Tud`awna Litunfiqū Fī Sabīli Allāhi Faminkum Man Yabkhalu Wa Man Yabkhal Fa'innamā Yabkhalu `An Nafsihi Wa Allāhu Al-Ghanīyu Wa 'Antumu Al-Fuqarā'u Wa 'In Tatawallaw Yastabdil Qawmāan Ghayrakum Thumma Lā Yakūnū 'Amthālakum  | [47.38] Ziet, gij zijt het, die geroepen wordt ter wille van Allah (een deel van uw vermogen) te geven, maar er zijn sommigen onder u die vrekkig zijn. En wie vrekkig is, is dit slechts tegen zichzelf. Allah is Zichzelf - genoeg en gij zijt nooddruftig. En indien gij u (van de Waarheid) afwendt, zal Hij een ander volk in uw plaats brengen en dezen zullen uw gelijken niet zijn. | هَاأَنْتُمْ هَاؤُلاَء تُدْعَوْنَ لِتُنفِقُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ فَمِنْكُمْ مَنْ يَبْخَلُ وَمَنْ يَبْخَلْ فَإِنَّمَا يَبْخَلُ عَنْ نَفْسِه ِِ وَاللَّهُ الْغَنِيُّ وَأَنْتُمُ الْفُقَرَاءُ وَإِنْ تَتَوَلَّوْا يَسْتَبْدِلْ قَوْماً غَيْرَكُمْ ثُمَّ لاَ يَكُونُوا أَمْثَالَكُمْ |