36) Sūrat Yā -Sīn

Printed format

36) سُورَة يَا-سِين

Yā -Sīn [36.1] Jaa Sien. يَا-سِين
Wa Al-Qur'āni Al-Ĥakīmi [36.2] Bij de Koran, die vol van Wijsheid is, وَالْقُرْآنِ الْحَكِيمِ
'Innaka Lamina Al-Mursalīna [36.3] Gij zijt inderdaad één der boodschappers إِنَّكَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ
`Alá Şirāţin Mustaqīmin [36.4] Op het rechte pad. عَلَى صِرَاط ٍ مُسْتَقِيم ٍ
Tanzīla Al-`Azīzi Ar-Raĥīmi [36.5] Dit is een openbaring van de Almachtige, de Genadevolle. تَنزِيلَ الْعَزِيزِ الرَّحِيمِ
Litundhira Qawmāan Mā 'Undhira 'Ābā'uuhum Fahum Ghāfilūna [36.6] Opdat gij een volk moogt waarschuwen welks vaderen niet zijn gewaarschuwd en dat achteloos leeft. لِتُنذِرَ قَوْما ً مَا أُنذِرَ آبَاؤُهُمْ فَهُمْ غَافِلُونَ
Laqad Ĥaqqa Al-Qawlu `Alá 'Aktharihim Fahum Lā Yu'uminūna [36.7] Het Woord heeft zich reeds bewaarheid ten opzichte van de meesten hunner, want zij geloven niet. لَقَدْ حَقَّ الْقَوْلُ عَلَى أَكْثَرِهِمْ فَهُمْ لاَ يُؤْمِنُونَ
'Innā Ja`alnā Fī 'A`nāqihim 'Aghlālāan Fahiya 'Ilá Al-'Adhqāni Fahum Muqmaĥūna [36.8] Wij hebben om hun hals ijzeren banden gelegd die tot aan hun kin reiken, zodat hun hoofd omhoog geheven blijft, إِنَّا جَعَلْنَا فِي أَعْنَاقِهِمْ أَغْلاَلا ً فَهِيَ إِلَى الأَذْقَانِ فَهُمْ مُقْمَحُونَ
Wa Ja`alnā Min Bayni 'Aydīhim Saddāan Wa Min Khalfihim Saddāan Fa'aghshaynāhum Fahum Lā Yubşirūna [36.9] En Wij hebben een hinderpaal vََr hen en een hinderpaal achter hen geplaatst en Wij hebben hen gesluierd, zodat zij niet kunnen zien. وَجَعَلْنَا مِنْ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ سَدّا ً وَمِنْ خَلْفِهِمْ سَدّا ً فَأَغْشَيْنَاهُمْ فَهُمْ لاَ يُبْصِرُونَ
Wa Sawā'un `Alayhim 'A'andhartahum 'Am Lam Tundhirhum Lā Yu'uminūna [36.10] En het is hun hetzelfde of gij hen waarschuwt of niet; zij willen niet geloven. وَسَوَاءٌ عَلَيْهِمْ أَأَنذَرْتَهُمْ أَمْ لَمْ تُنذِرْهُمْ لاَ يُؤْمِنُونَ
'Innamā Tundhiru Mani Attaba`a Adh-Dhikra Wa Khashiya Ar-Raĥmana Bil-Ghaybi Fabashshirhu Bimaghfiratin Wa 'Ajrin Karīmin [36.11] Gij kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning zou willen volgen en de Barmhartige in het verborgene vrezen. Geef hem daarom blijde tijdingen van vergiffenis en een ruime beloning. إِنَّمَا تُنذِرُ مَنِ اتَّبَعَ الذِّكْرَ وَخَشِيَ الرَّحْمَنَ بِالْغَيْبِ فَبَشِّرْهُ بِمَغْفِرَة ٍ وَأَجْر ٍ كَرِيم ٍ
'Innā Naĥnu Nuĥyi Al-Mawtá Wa Naktubu Mā Qaddamū Wa 'Āthārahum Wa Kulla Shay'in 'Ĥşaynāhu Fī 'Imāmin Mubīnin [36.12] Voorzeker, Wij zijn het Die de doden doen herleven, en wat zij doen, optekenen evenals de sporen die zij nalaten en Wij hebben alle dingen in een duidelijk boek geschreven. إِنَّا نَحْنُ نُحْيِ الْمَوْتَى وَنَكْتُبُ مَا قَدَّمُوا وَآثَارَهُمْ وَكُلَّ شَيْءٍ أحْصَيْنَاه ُُ فِي إِمَام ٍ مُبِين ٍ
Wa Ađrib Lahum Mathalāan 'Aşĥāba Al-Qaryati 'Idh Jā'ahā Al-Mursalūna [36.13] Geef hun de gelijkenis van de bewoners ener stad , to en de boodschappers tot haar kwamen. وَاضْرِبْ لَهُمْ مَثَلاً أَصْحَابَ الْقَرْيَةِ إِذْ جَاءَهَا الْمُرْسَلُونَ
'Idh 'Arsalnā 'Ilayhimu Athnayni Fakadhdhabūhumā Fa`azzaznā Bithālithin Faqālū 'Innā 'Ilaykum Mursalūna [36.14] Wij zonden tot hen twee boodschappers maar zij verloochenden dezen waarop wij hen met een derde versterkten en zij zeiden: "Waarlijk, wij zijn tot u gezonden." إِذْ أَرْسَلْنَا إِلَيْهِمُ اثْنَيْنِ فَكَذَّبُوهُمَا فَعَزَّزْنَا بِثَالِث ٍ فَقَالُوا إِنَّا إِلَيْكُمْ مُرْسَلُونَ
Qālū Mā 'Antum 'Illā Basharun Mithlunā Wa Mā 'Anzala Ar-Raĥmānu Min Shay'in 'In 'Antum 'Illā Takdhibūna [36.15] Zij (de bewoners) antwoordden: "Gij zijt slechts mensen zoals wij en de Barmhartige heeft u niets geopenbaard; gij liegt slechts." قَالُوا مَا أَنْتُمْ إِلاَّ بَشَر ٌ مِثْلُنَا وَمَا أَنزَلَ الرَّحْمَنُ مِنْ شَيْء ٍ إِنْ أَنْتُمْ إِلاَّ تَكْذِبُونَ
Qālū Rabbunā Ya`lamu 'Innā 'Ilaykum Lamursalūna [36.16] Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij inderdaad tot u zijn gezonden. قَالُوا رَبُّنَا يَعْلَمُ إِنَّا إِلَيْكُمْ لَمُرْسَلُونَ
Wa Mā `Alaynā 'Illā Al-Balāghu Al-Mubīnu [36.17] Op ons rust slechts de duidelijke verkondiging (der boodschap)." وَمَا عَلَيْنَا إِلاَّ الْبَلاَغُ الْمُبِينُ
Qālū 'Innā Taţayyarnā Bikum La'in Lam Tantahū Lanarjumannakum Wa Layamassannakum Minnā `Adhābun 'Alīmun [36.18] Het volk zeide: "Waarlijk, wij beschouwen u als een slecht voorteken; als gij niet ophoudt, zullen wij u gewis stenigen en een pijnlijke straf zal zeker onzerzijds over u komen." قَالُوا إِنَّا تَطَيَّرْنَا بِكُمْ لَئِنْ لَمْ تَنتَهُوا لَنَرْجُمَنَّكُمْ وَلَيَمَسَّنَّكُمْ مِنَّا عَذَابٌ أَلِيم ٌ
Qālū Ţā'irukum Ma`akum 'A'in Dhukkirtum Bal 'Antum Qawmun Musrifūna [36.19] Zij antwoordden: "Uw onheil is bij u. Zegt gij dit omdat gij vermaand zijt? Neen, gij zijt een volk dat alle perken te buiten gaat." قَالُوا طَائِرُكُمْ مَعَكُمْ أَئِنْ ذُكِّرْتُمْ بَلْ أَنْتُمْ قَوْم ٌ مُسْرِفُونَ
Wa Jā'a Min 'Aqşá Al-Madīnati Rajulun Yas`á Qāla Yā Qawmi Attabi`ū Al-Mursalīna [36.20] En er kwam een man aanhollen van het verste gedeelte der stad; hij zeide: "O mijn volk, volg de boodschappers; وَجَاءَ مِنْ أَقْصَى الْمَدِينَةِ رَجُل ٌ يَسْعَى قَالَ يَاقَوْمِ اتَّبِعُوا الْمُرْسَلِينَ
Attabi`ū Man Lā Yas'alukum 'Ajrāan Wa Hum Muhtadūna [36.21] Volg hen, die van u geen beloning vragen en die goed geleid zijn. اتَّبِعُوا مَنْ لاَ يَسْأَلُكُمْ أَجْرا ً وَهُمْ مُهْتَدُونَ
Wa Mā Liya Lā 'A`budu Al-Ladhī Faţaranī Wa 'Ilayhi Turja`ūna [36.22] En welke reden heb ik, dat ik Hem, Die mij schiep en tot Wie gij zult worden teruggebracht, niet zou aanbidden? وَمَا لِيَ لاَ أَعْبُدُ الَّذِي فَطَرَنِي وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ
'A'attakhidhu Min Dūnihi 'Ālihatan 'In Yuridni Ar-Raĥmānu Biđurrin Lā Tughni `Annī Shafā`atuhum Shay'āan Wa Lā Yunqidhūni [36.23] Zal ik anderen tot goden nemen naast Hem? Indien de Barmhartige kwaad met mij zou voorhebben, zou hun bemiddeling mij niets baten noch kunnen zij mij redden. أَأَتَّخِذُ مِنْ دُونِهِ آلِهَة ً إِنْ يُرِدْنِ الرَّحْمَنُ بِضُرّ ٍ لاَ تُغْنِ عَنِّي شَفَاعَتُهُمْ شَيْئا ً وَلاَ يُنقِذُونِ
'Innī 'Idhāan Lafī Đalālin Mubīnin [36.24] Dan zou ik inderdaad in openlijke dwaling verkeren. إِنِّي إِذا ً لَفِي ضَلاَل ٍ مُبِين ٍ
'Innī 'Āmantu Birabbikum Fāsma`ūni [36.25] Ik geloof in uw Heer, luistert daarom naar mij." إِنِّي آمَنْتُ بِرَبِّكُمْ فَاسْمَعُونِ
Qīla Adkhuli Al-Jannata Qāla Yā Layta Qawmī Ya`lamūna [36.26] Er werd gezegd: "Ga het paradijs binnen." Hij riep uit: "O, als mijn volk slechts wist, قِيلَ ادْخُلِ الْجَنَّةَ قَالَ يَالَيْتَ قَوْمِي يَعْلَمُونَ
Bimā Ghafara Lī Rabbī Wa Ja`alanī Mina Al-Mukramīna [36.27] Hoe mijn Heer mij vergiffenis heeft geschonken en mij tot een der geëerden heeft gemaakt!" بِمَا غَفَرَ لِي رَبِّي وَجَعَلَنِي مِنَ الْمُكْرَمِينَ
Wa Mā 'Anzalnā `Alá Qawmihi Min Ba`dihi Min Jundin Mina As-Samā'i Wa Mā Kunnā Munzilīna [36.28] En Wij zonden na hem geen schare (van engelen) uit de hemel neder (tot zijn volk) noch zenden Wij die ooit (op die wijze) neder. وَمَا أَنزَلْنَا عَلَى قَوْمِه ِِ مِنْ بَعْدِه ِِ مِنْ جُند ٍ مِنَ السَّمَاءِ وَمَا كُنَّا مُنزِلِينَ
'In Kānat 'Illā Şayĥatan Wāĥidatan Fa'idhā Hum Khāmidūna [36.29] Het was slechts een enkele kreet en ziet; zij waren als uitgeblust. إِنْ كَانَتْ إِلاَّ صَيْحَة ً وَاحِدَة ً فَإِذَا هُمْ خَامِدُونَ
Yā Ĥasratan `Alá Al-`Ibādi Mā Ya'tīhim Min Rasūlin 'Illā Kānū Bihi Yastahzi'ūn [36.30] Wee, over de mensen: er komt geen boodschapper tot hen of zij bespotten hem. يَاحَسْرَةً عَلَى الْعِبَادِ مَا يَأْتِيهِمْ مِنْ رَسُول ٍ إِلاَّ كَانُوا بِه ِِ يَسْتَهْزِئُون
'Alam Yaraw Kam 'Ahlaknā Qablahum Mina Al-Qurūni 'Annahum 'Ilayhim Lā Yarji`ūna [36.31] Hebben zij niet gezien, hoeveel geslachten Wij vََr hen hebben vernietigd, die niet tot hen terugkeren? أَلَمْ يَرَوْا كَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُمْ مِنَ الْقُرُونِ أَنَّهُمْ إِلَيْهِمْ لاَ يَرْجِعُونَ
Wa 'In Kullun Lammā Jamī`un Ladaynā Muĥđarūna [36.32] Maar gewis, allen zullen tezamen voor Ons worden gebracht. وَإِنْ كُلّ ٌ لَمَّا جَمِيع ٌ لَدَيْنَا مُحْضَرُونَ
Wa 'Āyatun Lahumu Al-'Arđu Al-Maytatu 'Aĥyaynāhā Wa 'Akhrajnā Minhā Ĥabbāan Faminhu Ya'kulūna [36.33] En de dorre aarde is voor hen een teken; Wij doen deze herleven en brengen graan uit haar voort, waarvan zij eten. وَآيَة ٌ لَهُمُ الأَرْضُ الْمَيْتَةُ أَحْيَيْنَاهَا وَأَخْرَجْنَا مِنْهَا حَبّا ً فَمِنْهُ يَأْكُلُونَ
Wa Ja`alnā Fīhā Jannātin Min Nakhīlin Wa 'A`nābin Wa Fajjarnā Fīhā Mina Al-`Uyūni [36.34] En Wij hebben er tuinen van dadelpalmen en druiven aangelegd en Wji deden er bronnen ontspringen, وَجَعَلْنَا فِيهَا جَنَّات ٍ مِنْ نَخِيل ٍ وَأَعْنَاب ٍ وَفَجَّرْنَا فِيهَا مِنَ الْعُيُونِ
Liya'kulū Min Thamarihi Wa Mā `Amilat/hu 'Aydīhim 'Afalā Yashkurūna [36.35] Opdat zij van de vruchten daarvan mogen eten, en genieten van hetgeen hun handen toebereiden. Willen zij dan niet dankbaar zijn? لِيَأْكُلُوا مِنْ ثَمَرِه ِِ وَمَا عَمِلَتْهُ أَيْدِيهِمْ أَفَلاَ يَشْكُرُونَ
Subĥāna Al-Ladhī Khalaqa Al-'Azwāja Kullahā Mimmā Tunbitu Al-'Arđu Wa Min 'Anfusihim Wa Mimmā Lā Ya`lamūna [36.36] Glorie zij Hem, Die alles in paren schiep van hetgeen op aarde groeit en van hen zelf en van hetgeen zijn nog niet kennen. سُبْحَانَ الَّذِي خَلَقَ الأَزْوَاجَ كُلَّهَا مِمَّا تُنْبِتُ الأَرْضُ وَمِنْ أَنفُسِهِمْ وَمِمَّا لاَ يَعْلَمُونَ
Wa 'Āyatun Lahumu Al-Laylu Naslakhu Minhu An-Nahāra Fa'idhā Hum Mužlimūna [36.37] En voor hen is de nacht een teken. Wij nemen de dag weg en ziet! zij zijn in duisternis. وَآيَة ٌ لَهُمُ اللَّيْلُ نَسْلَخُ مِنْهُ النَّهَارَ فَإِذَا هُمْ مُظْلِمُونَ
Wa Ash-Shamsu Tajrī Limustaqarrin Lahā Dhālika Taqdīru Al-`Azīzi Al-`Alīmi [36.38] En de zon beweegt zich naar haar bestemming. Dat is het gebod van de Almachtige, de Alwetende. وَالشَّمْسُ تَجْرِي لِمُسْتَقَرّ ٍ لَهَا ذَلِكَ تَقْدِيرُ الْعَزِيزِ الْعَلِيمِ
Wa Al-Qamara Qaddarnāhu Manāzila Ĥattá `Āda Kāl`urjūni Al-Qadīmi [36.39] En voor de maan hebben Wij fasen bepaald tot zij als een oude tak van een palmboom wordt. وَالْقَمَرَ قَدَّرْنَاه ُُ مَنَازِلَ حَتَّى عَادَ كَالْعُرْجُونِ الْقَدِيمِ
Ash-Shamsu Yanbaghī Lahā 'An Tudrika Al-Qamara Wa Lā Al-Laylu Sābiqu An-Nahāri Wa Kullun Fī Falakin Yasbaĥūna [36.40] De zon mag de maan niet achterhalen noch kan de nacht de dag voorbijstreven. Zij zweven elk in hun eigen baan. لاَ الشَّمْسُ يَنْبَغِي لَهَا أَنْ تُدْرِكَ الْقَمَرَ وَلاَ اللَّيْلُ سَابِقُ النَّهَارِ وَكُلّ ٌ فِي فَلَك ٍ يَسْبَحُونَ
Wa 'Āyatun Lahum 'Annā Ĥamalnā Dhurrīyatahum Al-Fulki Al-Mashĥūni [36.41] En het is voor hen een teken, dat Wij hun nakomelingen in het geladen schip dragen. وَآيَة ٌ لَهُمْ أَنَّا حَمَلْنَا ذُرِّيَّتَهُمْ فِي الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ
Wa Khalaqnā Lahum Min Mithlihi Mā Yarkabūna [36.42] En Wij zullen voor hen nog iets dergelijks scheppen, waarop zij zullen varen. وَخَلَقْنَا لَهُمْ مِنْ مِثْلِه ِِ مَا يَرْكَبُونَ
Wa 'In Nasha' Nughriqhum Falā Şarīkha Lahum Wa Lā Hum Yunqadhūna [36.43] En indien Wij willen, zullen Wij hen doen verdrinken, er zal dan voor hen geen helper zijn noch kunnen zij gered worden, وَإِنْ نَشَأْ نُغْرِقْهُمْ فَلاَ صَرِيخَ لَهُمْ وَلاَ هُمْ يُنقَذُونَ
'Illā Raĥmatan Minnā Wa Matā`āan 'Ilá Ĥīnin [36.44] Dan door Onze barmhartigheid en als tijdelijk genot (voor hen op aarde). إِلاَّ رَحْمَة ً مِنَّا وَمَتَاعا ً إِلَى حِين ٍ
Wa 'Idhā Qīla Lahumu Attaqū Mā Bayna 'Aydīkum Wa Mā Khalfakum La`allakum Turĥamūna [36.45] En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Behoedt u tegen hetgeen vََr u is en hetgeen achter u is, opdat u barmhartigheid moge worden betoond." وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ اتَّقُوا مَا بَيْنَ أَيْدِيكُمْ وَمَا خَلْفَكُمْ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ
Wa Mā Ta'tīhim Min 'Āyatin Min 'Āyāti Rabbihim 'Illā Kānū `Anhā Mu`rīna [36.46] Maar er komt geen teken tot hen van de tekenen van hun Heer, of zij wenden er zich van af. وَمَا تَأْتِيهِمْ مِنْ آيَة ٍ مِنْ آيَاتِ رَبِّهِمْ إِلاَّ كَانُوا عَنْهَا مُعْرِضِينَ
Wa 'Idhā Qīla Lahum 'Anfiqū Mimmā Razaqakumu Allāhu Qāla Al-Ladhīna Kafarū Lilladhīna 'Āmanū 'Anuţ`imu Man Law Yashā'u Allāhu 'Aţ`amahu 'In 'Antum 'Illā Fī Đalālin Mubīnin [36.47] En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Besteedt van hetgeen Allah u heeft geschonken," zeggen de ongelovigen tot de gelovigen, "Moeten wij hem voeden? Indien het Allah behaagde zou Hij hem hebben kunnen voeden. Gij verkeert slechts in een klaarblijkelijke dwaling." وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ أَنفِقُوا مِمَّا رَزَقَكُمُ اللَّهُ قَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِلَّذِينَ آمَنُوا أَنُطْعِمُ مَنْ لَوْ يَشَاءُ اللَّهُ أَطْعَمَهُ~ُ إِنْ أَنْتُمْ إِلاَّ فِي ضَلاَل ٍ مُبِين ٍ
Wa Yaqūlūna Matá Hādhā Al-Wa`du 'In Kuntum Şādiqīna [36.48] En zij zeggen: "Wanneer zal deze Belofte worden vervuld, als gij de waarheid spreekt?" وَيَقُولُونَ مَتَى هَذَا الْوَعْدُ إِنْ كُنتُمْ صَادِقِينَ
Mā Yanžurūna 'Illā Şayĥatan Wāĥidatan Ta'khudhuhum Wa Hum Yakhişşimūna [36.49] Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. مَا يَنظُرُونَ إِلاَّ صَيْحَة ً وَاحِدَة ً تَأْخُذُهُمْ وَهُمْ يَخِصِّمُونَ
Falā Yastaţī`ūna Tawşiyatan Wa Lā 'Ilá 'Ahlihim Yarji`ūna [36.50] En zij zullen geen testament meer kunnen maken noch zullen zij tot hun families terugkeren. فَلاَ يَسْتَطِيعُونَ تَوْصِيَة ً وَلاَ إِلَى أَهْلِهِمْ يَرْجِعُونَ
Wa Nufikha Fī Aş-Şūri Fa'idhā Hum Mina Al-'Ajthi 'Ilá Rabbihim Yansilūna [36.51] En de bazuin zal worden geblazen, en ziet! zij zullen zich vanuit hun graven naar hun Heer haasten. وَنُفِخَ فِي الصُّورِ فَإِذَا هُمْ مِنَ الأَجْدَاثِ إِلَى رَبِّهِمْ يَنسِلُونَ
Qālū Yā Waylanā Man Ba`athanā Min Marqadinā Hādhā Mā Wa`ada Ar-Raĥmānu Wa Şadaqa Al-Mursalūna [36.52] Zij zullen zeggen: "O wee ons, wie heeft ons van onze slaapplaatgen gewekt? Dit is hetgeen de Barmhartige heeft beloofd, en de boodschappers spraken de waarheid." قَالُوا يَاوَيْلَنَا مَنْ بَعَثَنَا مِنْ مَرْقَدِنَا هَذَا مَا وَعَدَ الرَّحْمَنُ وَصَدَقَ الْمُرْسَلُونَ
'In Kānat 'Illā Şayĥatan Wāĥidatan Fa'idhā Hum Jamī`un Ladaynā Muĥđarūna [36.53] Het zal slechts een kreet zijn en ziet! zij zullen allen voor Ons worden gebracht. إِنْ كَانَتْ إِلاَّ صَيْحَة ً وَاحِدَة ً فَإِذَا هُمْ جَمِيع ٌ لَدَيْنَا مُحْضَرُونَ
Fālyawma Lā Tužlamu Nafsun Shay'āan Wa Lā Tujzawna 'Illā Mā Kuntum Ta`malūna [36.54] En op die Dag zal geen ziel onrecht worden aangedaan, noch zult gij worden beloond, behalve overeenkomstig uw daden. فَالْيَوْمَ لاَ تُظْلَمُ نَفْس ٌ شَيْئا ً وَلاَ تُجْزَوْنَ إِلاَّ مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ
'Inna 'Aşĥāba Al-Jannati Al-Yawma Fī Shughulin Fākihūna [36.55] Voorwaar, op die Dag zullen de bewoners van de Hemel in (een groot) werk hun geluk vinden. إِنَّ أَصْحَابَ الْجَنَّةِ الْيَوْمَ فِي شُغُل ٍ فَاكِهُونَ
Hum Wa 'Azwājuhum Fī Žilālin `Alá Al-'Arā'iki Muttaki'ūna [36.56] Zij en hun echtgenoten zullen zich in de schaduw op tronen nedervlijen. هُمْ وَأَزْوَاجُهُمْ فِي ظِلاَلٍ عَلَى الأَرَائِكِ مُتَّكِئُونَ
Lahum Fīhā Fākihatun Wa Lahum Mā Yadda`ūna [36.57] Zij zullen daar vruchten hebben en alles waar zij om vragen ontvangen. لَهُمْ فِيهَا فَاكِهَة ٌ وَلَهُمْ مَا يَدَّعُونَ
Salāmun Qawlāan Min Rabbin Raĥīmin [36.58] Het woord van de Genadevolle Heer zal (klinken) "Vrede (vrede)." سَلاَم ٌ قَوْلا ً مِنْ رَبّ ٍ رَحِيم ٍ
Wa Amtāzū Al-Yawma 'Ayyuhā Al-Mujrimūna [36.59] (En Hij zal zeggen): "Houdt u op deze dag terzijde, o gij schuldigen." وَامْتَازُوا الْيَوْمَ أَيُّهَا الْمُجْرِمُونَ
'Alam 'A`had 'Ilaykum Yā Banī 'Ādama 'An Lā Ta`budū Ash-Shayţāna 'Innahu Lakum `Adūwun Mubīnun [36.60] "Gelastte Ik u niet, o gij kinderen van Adam, dat gij Satan niet zoudt dienen, daar hij een openlijke vijand van u is, أَلَمْ أَعْهَدْ إِلَيْكُمْ يَابَنِي آدَمَ أَنْ لاَ تَعْبُدُوا الشَّيْطَانَ إِنَّه ُُ لَكُمْ عَدُوّ ٌ مُبِين ٌ
Wa 'Ani A`budūnī Hādhā Şirāţun Mustaqīmun [36.61] Maar dat gij Mij zoudt dienen?" Dat was het rechte pad. وَأَنِ اعْبُدُونِي هَذَا صِرَاط ٌ مُسْتَقِيم ٌ
Wa Laqad 'Ađalla Minkum Jibillāan Kathīrāan 'Afalam Takūnū Ta`qilūna [36.62] Toch deed hij een groot gedeelte uwer dwalen. Hadt gij dan geen verstand? وَلَقَدْ أَضَلَّ مِنْكُمْ جِبِلّا ً كَثِيراً أَفَلَمْ تَكُونُوا تَعْقِلُونَ
Hadhihi Jahannamu Allatī Kuntum Tū`adūna [36.63] "Dit is de hel waarmede gij werdt bedreigd." هَذِه ِِ جَهَنَّمُ الَّتِي كُنتُمْ تُوعَدُونَ
Aşlawhā Al-Yawma Bimā Kuntum Takfurūna [36.64] Gaat daar thans binnen, omdat gij haar placht te loochenen. اصْلَوْهَا الْيَوْمَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ
Al-Yawma Nakhtimu `Alá 'Afwāhihim Wa Tukallimunā 'Aydīhim Wa Tash/hadu 'Arjuluhum Bimā Kānū Yaksibūna [36.65] Op die Dag zullen Wij hun mond verzegelen, maar hun handen zullen tot ons spreken en hun voeten zullen getuigenis afleggen van alles wat zij hebben bedreven. الْيَوْمَ نَخْتِمُ عَلَى أَفْوَاهِهِمْ وَتُكَلِّمُنَا أَيْدِيهِمْ وَتَشْهَدُ أَرْجُلُهُمْ بِمَا كَانُوا يَكْسِبُونَ
Wa Law Nashā'u Laţamasnā `Alá 'A`yunihim Fāstabaqū Aş-Şirāţa Fa'anná Yubşirūna [36.66] En als Wij het hadden gewild, konden Wij het licht in hun ogen hebben gedoofd; dan zouden zij zich naar het pad hebben willen haasten. Maar hoe konden zij zien? وَلَوْ نَشَاءُ لَطَمَسْنَا عَلَى أَعْيُنِهِمْ فَاسْتَبَقُوا الصِّرَاطَ فَأَنَّى يُبْصِرُونَ
Wa Law Nashā'u Lamasakhnāhum `Alá Makānatihim Famā Astaţā`ū Muđīyāan Wa Lā Yarji`ūna [36.67] En indien Wij wilden, zouden Wij hen op hun plaatsen hebben doen verstijven zodat zij noch vََr- noch achteruit konden. وَلَوْ نَشَاءُ لَمَسَخْنَاهُمْ عَلَى مَكَانَتِهِمْ فَمَا اسْتَطَاعُوا مُضِيّا ً وَلاَ يَرْجِعُونَ
Wa Man Nu`ammirhu Nunakkis/hu Fī Al-Khalqi 'Afalā Ya`qilūna [36.68] En wie Wij een lang leven schenken, doen Wij achteruitgaan in kracht. Willen zij dan niet begrijpen? وَمَنْ نُعَمِّرْهُ نُنَكِّسْهُ فِي الْخَلْقِ أَفَلاَ يَعْقِلُونَ
Wa Mā `Allamnāhu Ash-Shi`ra Wa Mā Yanbaghī Lahu 'In Huwa 'Illā Dhikrun Wa Qur'ānun Mubīnun [36.69] En Wij hebben hem (de profeet) het dichten niet geleerd, noch is het voor hem passend, dit is slechts een vermaning en een duidelijke verkondiging; وَمَا عَلَّمْنَاهُ الشِّعْرَ وَمَا يَنْبَغِي لَهُ~ُ إِنْ هُوَ إِلاَّ ذِكْر ٌ وَقُرْآن ٌ مُبِين ٌ
Liyundhira Man Kāna Ĥayyāan Wa Yaĥiqqa Al-Qawlu `Alá Al-Kāfirīna [36.70] Opdat de levenden mogen worden gewaarschuwd en opdat het oordeel tegen de ongelovigen gerechtvaardigd moge zijn. لِيُنْذِرَ مَنْ كَانَ حَيّا ً وَيَحِقَّ الْقَوْلُ عَلَى الْكَافِرِينَ
'Awalam Yaraw 'Annā Khalaqnā Lahum Mimmā `Amilat 'Aydīnā 'An`āmāan Fahum Lahā Mālikūna [36.71] Hebben zij niet gezien, dat onder de dingen die Onze handen gemaakt hebben, Wij vee hebben geschapen, waar zij meesters over zijn? أَوَلَمْ يَرَوْا أَنَّا خَلَقْنَا لَهُمْ مِمَّا عَمِلَتْ أَيْدِينَا أَنْعَاما ً فَهُمْ لَهَا مَالِكُونَ
Wa Dhallalnāhā Lahum Faminhā Rakūbuhum Wa Minhā Ya'kulūna [36.72] En Wij hebben het aan hen dienstbaar gemaakt, zodat sommige rijdieren zijn, en sommige tot voedsel strekken. وَذَلَّلْنَاهَا لَهُمْ فَمِنْهَا رَكُوبُهُمْ وَمِنْهَا يَأْكُلُونَ
Wa Lahum Fīhā Manāfi`u Wa Mashāribu 'Afalā Yashkurūna [36.73] En zij hebben er voordelen van en dranken. Willen zij dan niet dankbaar zijn? وَلَهُمْ فِيهَا مَنَافِعُ وَمَشَارِبُ أَفَلاَ يَشْكُرُونَ
Wa Attakhadhū Min Dūni Allāhi 'Ālihatan La`allahum Yunşarūna [36.74] En zij hebben andere goden naast Allah genomen, hopende dat zij mogen worden geholpen. وَاتَّخَذُوا مِنْ دُونِ اللَّهِ آلِهَة ً لَعَلَّهُمْ يُنصَرُونَ
Lā Yastaţī`ūna Naşrahum Wa Hum Lahum Jundun Muĥđarūna [36.75] Dezen kunnen hen niet helpen maar zij zullen als een schare tegen hen worden gebracht. لاَ يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَهُمْ وَهُمْ لَهُمْ جُند ٌ مُحْضَرُونَ
Falā Yaĥzunka Qawluhum 'Innā Na`lamu Mā Yusirrūna Wa Mā Yu`linūna [36.76] Laat daarom hun spraak u niet verdrieten. Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij tonen. فَلاَ يَحْزُنْكَ قَوْلُهُمْ إِنَّا نَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَ
'Awalam Yara Al-'Insānu 'Annā Khalaqnāhu Min Nuţfatin Fa'idhā Huwa Khīmun Mubīnun [36.77] Heeft de mens niet begrepen dat Wij hem hebben geschapen uit een levenskiem? Doch ziet, hij is klaarblijkelijk een redetwister! أَوَلَمْ يَرَ الإِنسَانُ أَنَّا خَلَقْنَاه ُُ مِنْ نُطْفَة ٍ فَإِذَا هُوَ خَصِيم ٌ مُبِين ٌ
Wa Đaraba Lanā Mathalāan Wa Nasiya Khalqahu Qāla Man Yuĥyī Al-`Ižāma Wa Hiya Ramīmun [36.78] En hij zet Ons verhalen voor en vergeet zijn eigen ontstaan. Hij zegt: "Wie kan de beenderen doen herleven als zij vergaan zijn?" وَضَرَبَ لَنَا مَثَلا ً وَنَسِيَ خَلْقَه ُُ قَالَ مَنْ يُحْيِي الْعِظَامَ وَهِيَ رَمِيم ٌ
Qul Yuĥyīhā Al-Ladhī 'Ansha'ahā 'Awwala Marratin Wa Huwa Bikulli Khalqin `Alīmun [36.79] Zeg: "Hij, Die hen voor de eerste keer schiep zal hen doen herleven; Hij heeft kennis van de gehele schepping. قُلْ يُحْيِيهَا الَّذِي أَنشَأَهَا أَوَّلَ مَرَّة ٍ وَهُوَ بِكُلِّ خَلْقٍ عَلِيم ٌ
Al-Ladhī Ja`ala Lakum Mina Ash-Shajari Al-'Akhđari Nārāan Fa'idhā 'Antum Minhu Tūqidūna [36.80] Hij is het, Die uit een groene boom voor u vuur voortbrengt, en ziet, gij steekt er (uw brandstof) van aan." الَّذِي جَعَلَ لَكُمْ مِنَ الشَّجَرِ الأَخْضَرِ نَارا ً فَإِذَا أَنْتُمْ مِنْهُ تُوقِدُونَ
'Awalaysa Al-Ladhī Khalaqa As-Samāwāti Wa Al-'Arđa Biqādirin `Alá 'An Yakhluqa Mithlahum Balá Wa Huwa Al-Khallāqu Al-`Alīmu [36.81] "Is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep, niet in staat hun gelijken te scheppen?" Ja, inderdaad Hij is de Schepper, de Alwetende. أَوَلَيْسَ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالأَرْضَ بِقَادِرٍ عَلَى أَنْ يَخْلُقَ مِثْلَهُمْ بَلَى وَهُوَ الْخَلاَّقُ الْعَلِيمُ
'Innamā 'Amruhu 'Idhā 'Arāda Shay'āan 'An Yaqūla Lahu Kun Fayakūnu [36.82] Voorwaar, wanneer Hij Zich iets voorneemt is Zijn gebod slechts: "Wees", en het wordt. إِنَّمَا أَمْرُهُ~ُ إِذَا أَرَادَ شَيْئاً أَنْ يَقُولَ لَه ُُ كُنْ فَيَكُونُ
Fasubĥāna Al-Ladhī Biyadihi Malakūtu Kulli Shay'in Wa 'Ilayhi Turja`ūna [36.83] Glorie zij daarom Hem, in wiens hand de oppermacht over alle dingen is! En tot Hem zult gij worden teruggebracht. فَسُبْحَانَ الَّذِي بِيَدِه ِِ مَلَكُوتُ كُلِّ شَيْء ٍ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ
Next Sūrah